Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB1172

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2007
Datum publicatie
06-08-2007
Zaaknummer
06-3870 WWB + 06-3871 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 294
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3870 WWB

06/3871 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], appellante, en [appellant], appellant, beiden wonende te Putten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 22 mei 2006, 05/1355 en 05/1356 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Putten (hierna: College)

Datum uitspraak: 31 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M. Broersma, advocaat te Putten, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2007. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Broersma. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Hagenbeek, werkzaam bij de gemeente Putten.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante, woonachtig te Putten, [adres 1], ontving sedert 6 juli 2003 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Naar aanleiding van een vermoeden dat appellante in haar woning een gezamenlijke huishouding voerde met appellant, die volgens de gemeentelijke basisadministratie stond ingeschreven op het adres [adres 2] te Gorinchem, is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader hebben onder meer observaties en een huisbezoek plaatsgevonden, terwijl appellante en een getuige zijn gehoord.

De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 15 september 2004.

Het College heeft daarin aanleiding gevonden bij besluit van 19 oktober 2004 met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellante van 1 maart 2004 tot en met 9 juni 2004 te herzien (lees: in te trekken) en met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 4.114,07 van haar terug te vorderen. Voorts is aan appellante met ingang van 1 oktober 2004 een maatregel opgelegd, bestaande in een verlaging van de bijstand met 100% gedurende één maand. Bij afzonderlijk besluit van dezelfde datum heeft het College het bedrag van € 4.114,07 mede van appellant teruggevorderd. De besluitvorming berust op de overweging dat appellanten een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd zonder dat appellante daarvan melding heeft gemaakt bij het College.

Bij afzonderlijke besluiten van 8 juli 2005 heeft het College de tegen de besluiten van 19 oktober 2004 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de tegen de besluiten van 8 juli 2005 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

In hoger beroep hebben appellanten zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In geschil is primair het antwoord op de vraag of het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellanten ten tijde in geding met elkaar een gezamenlijke huishouding voerden.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB) wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat van een gezamenlijke huishouding sprake is indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

Anders dan het College en de rechtbank is de Raad van oordeel dat in het geval van appellanten niet is gebleken dat laatstbedoelde situatie zich ten tijde hier van belang voordeed. De resultaten van het opsporingsonderzoek bieden daarvoor naar het oordeel van de Raad onvoldoende feitelijke grondslag. De Raad overweegt hieromtrent het volgende.

Uit het onaangekondigde huisbezoek aan de woning van appellante op 10 juni 2004 en hetgeen appellante toen heeft verklaard, kan niet worden afgeleid dat appellant daar ten tijde hier van belang zijn hoofdverblijf had. Volgens hetgeen appellante toen heeft verklaard verbleef appellant regelmatig in zijn eigen woning en overnachtte appellant in het weekend bij haar en ook wel eens door de week. In welke mate dit laatste het geval was en vanaf welk tijdstip blijkt niet uit die verklaring. De meer uitgebreide verklaring die appellante op 15 juni 2004 ten overstaan van de sociale recherche heeft afgelegd, biedt naar het oordeel van de Raad evenmin voldoende grondslag om aan te nemen dat slechts de woning van appellante werd gebruikt. De Raad acht met name ook van belang dat er volgens de verklaringen van appellante geen persoonlijke spullen van appellant in haar woning aanwezig waren. Niet is gebleken dat hetgeen appellante ter zake heeft verklaard niet juist is.

Voorts kan de Raad aan het verslag van de observaties op de parkeerplaats achter de woning van appellante in de periode van 8 april 2004 tot en met 7 juni 2004 niet die betekenis toekennen die het College daaraan toegekend wenst te zien. Ter zitting van de rechtbank is namelijk gebleken dat de observant er ten onrechte van uit is gegaan dat appellant in een bedrijfsauto reed met het kenteken [kenteken 1]. Weliswaar reed appellant toen in een zelfde type bedrijfsauto als die waar bij de observaties naar is uitgezien, doch wel een met een ander kenteken. Vanaf 8 maart 2004 was dit namelijk [kenteken 2].

Dit betekent dat de observaties op de verkeerde auto gericht zijn geweest. In dit verband acht de Raad ook van weinig betekenis de verklaring van de getuige [getuige], de achterbuurman van appellante die als buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst was van de gemeente Putten. Volgens die verklaring heeft [getuige] vanaf half februari 2004 vanuit zijn woning, die uitkeek op de betreffende parkeerplaats, gedurende vijf dagen per week op wisselende tijdstippen de bedrijfsauto zien staan waarin appellant reed.

Ook heeft hij appellanten wel eens samen zien uitstappen en de woning van appellante zien binnengaan. Nu [getuige] kennelijk geen acht heeft geslagen op het kenteken van die auto, is niet met zekerheid komen vast te staan in hoeverre [getuige] de bedrijfsauto van appellant heeft waargenomen, dan wel het oog heeft gehad op de verkeerde auto.

Dit geldt temeer nu appellant heeft gesteld dat hij niet op wisselende, maar op vaste tijden werkzaam was. De verklaring van [getuige] acht de Raad derhalve als (ondersteunend) bewijsstuk niet bruikbaar. De Raad tekent hierbij nog aan dat genoemde vergissing met het kenteken ongetwijfeld reeds ten tijde van het onderzoek door de sociale recherche aan het licht zou zijn gekomen, indien ook appellant was gehoord. Dit zou uit een oogpunt van zorgvuldigheid ook zonder meer wenselijk zijn geweest.

Voorts is de Raad van oordeel dat in het geval van appellanten ook niet is voldaan aan het criterium van de wederzijdse verzorging. Van het delen van woonlasten en hiermee samenhangende lasten en ook van enige financiële verstrengeling is niet gebleken. Evenmin is gebleken van andere feiten en omstandigheden die wijzen op wederzijdse zorg. Er is in het geval van appellanten vastgesteld dat sprake is geweest van gezamenlijke activiteiten, zoals het (met de kinderen van appellante) naar het bos of naar de speeltuin gaan, televisie kijken, het afleggen van familiebezoeken en uitgaan met vrienden. Deze activiteiten kunnen, anders dan het College meent, bezwaarlijk op zichzelf worden aangemerkt als zorghandelingen.

Uit het vorenstaande volgt dat niet is aangetoond dat appellanten in de hier van belang zijnde periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. De Raad komt dan ook tot het oordeel dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB en evenmin aan de voorwaarden voor toepassing van de artikelen 58, eerste lid, aanhef en onder a en 59, tweede lid, van de WWB. Tevens is de grondslag komen te ontvallen aan de appellante ingaande 1 oktober 2004 opgelegde maatregel. Nu de rechtbank dit niet heeft onderkend, moet de aangevallen uitspraak vernietigd worden.

Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad de beroepen gegrond verklaren en de besluiten van 8 juli 2005 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. De Raad zal voorts, zelf in de zaak voorziend, de besluiten van het College van 19 oktober 2004 herroepen nu deze op dezelfde ondeugdelijk gebleken grondslag berusten en niet aannemelijk is dat dit motiveringsgebrek alsnog kan worden hersteld.

De Raad ziet voorts aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op in totaal € 966,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de beroepen gegrond;

Vernietigt de besluiten van 8 juli 2005;

Herroept de besluiten van 19 oktober 2004;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.610,--, te betalen door de gemeente Putten;

Bepaalt dat de gemeente Putten aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 179,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2007.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ‘s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

RB1607