Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB1168

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2007
Datum publicatie
06-08-2007
Zaaknummer
06-3896 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schending inlichtingenverplichting. Overschrijding vermogensgrens. Herziening/intrekking en terugvordering bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/3896 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[A. te B.] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 29 mei 2006, 05/2150 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn (hierna: College)

Datum uitspraak: 31 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W. Searle, advocaat te Hoorn, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. P.F.M. Deijkers, kantoorgenoot van mr. Searle. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door M.R. Ooievaar, werkzaam bij de gemeente Hoorn.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving van 8 januari 1982 tot 1 augustus 2004 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

Uit een onderzoek naar aanleiding van een door het Inlichtingenbureau uitgevoerde bestandsvergelijking tussen cliënten van de afdeling sociale zaken en werkgelegenheid van de gemeente Alkmaar en de Belastingdienst over 2002 is gebleken dat twee en/of Postbankrekeningen met nummers [nummers] mede op naam van appellante stonden en dat de saldi van deze rekeningen en de daaraan gekoppelde spaarrekeningen in 2002 € 17.401 en € 26.730 bedroegen. Van het bestaan van deze bankrekeningen heeft appellante bij het College geen melding gemaakt. Naar aanleiding daarvan heeft de Sociale Recherche Noord-Holland Noord een onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellante toegekende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht, is informatie opgevraagd bij de Postbank en is appellante gehoord. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 12 mei 2005.

Het College heeft hierin aanleiding gevonden bij besluit van 20 mei 2005 de bijstand van appellante over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 juli 2004 met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in te trekken/ te herzien en de gemaakte kosten van bijstand met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB tot een bedrag van € 28.551,37 van appellante terug te vorderen op de grond dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

Bij besluit van 23 augustus 2005 heeft het College het tegen het besluit van 20 mei 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 23 augustus 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 31 van de WWB worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In artikel 34 van de WWB is neergelegd wat onder vermogen wordt verstaan, welke vermogensbestanddelen - die bij de aanvang van de bijstandsverlening aanwezig zijn dan wel tijdens de bijstandsverlening worden ontvangen - als vermogen in aanmerking worden genomen en wat de toepasselijke vermogensgrens is.

Vast staat dat appellante ten tijde in geding (mede) houder was van een tweetal en/of bankrekeningen bij de Postbank met rekeningnummers [nummers] met de daaraan gekoppelde kapitaalrekeningen en dat het saldo daarvan gedurende de gehele in geding zijnde periode de voor appellante geldende vermogensgrens overschreed. In vaste rechtspraak heeft de Raad als uitgangspunt geformuleerd dat in een geval, waarin een bankrekening op naam van een bijstandontvanger een tegoed bevat, de vooronderstelling gerechtvaardigd is dat dit tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover deze de beschikking heeft dan wel redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan betrokkene om in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is.

Naar het oordeel van de Raad is appellante daarin niet geslaagd. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellante ten aanzien van genoemde bankrekeningen zonder enige beperking beschikkingsbevoegd was. Voorts heeft zij niet met objectieve en verifieerbare gegevens kunnen aantonen dat de op de rekeningen staande gelden van haar kinderen waren.

Door van bovenvermelde bankrekeningen, en de daarop staande tegoeden, geen melding te maken bij het College heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Gelet hierop was het College bevoegd om op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand over de in geding zijnde periode in te trekken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College bij de afweging van de hierbij rechtstreeks betrokken belangen niet in redelijkheid tot intrekking van de bijstand heeft kunnen besluiten. De Raad stelt vast dat de bijstand niet in zijn geheel is ingetrokken maar in plaats daarvan ook deels is herzien. Appellante is daardoor echter niet tekort gedaan.

Met het voorgaande is tevens gegeven dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan. De Raad stelt vast dat het College ten tijde van het besluit op bezwaar de (nog) niet in een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde vaste gedragslijn hanteerde dat altijd tot terugvordering wordt overgegaan indien ten onrechte of te veel bijstand is genoten tenzij er sprake is van dringende redenen of van “kruimelbedragen”. De Raad acht deze gedragslijn niet onredelijk voor zover deze ziet op situaties waarin sprake is van schending van de inlichtingenverplichting. De Raad stelt vervolgens vast dat het besluit van 23 augustus 2005 ter zake van de terugvordering in overeenstemming is met deze vaste gedragslijn van het College. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van deze gedragslijn had moeten afwijken.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2007.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

RB2007