Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB1065

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-08-2007
Datum publicatie
08-08-2007
Zaaknummer
05-2131 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/2131 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 2 maart 2005, 04/309 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 augustus 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.P.W.A. Bink, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bink. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

E. van den Brink.

Voorts was aanwezig neuropsycholoog dr. E.J.T. Matser, door appellante als deskundige meegebracht.

II. OVERWEGINGEN

Appellante was werkzaam als examinator voor het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen voor 22 uur per week, toen zij zich op 12 september 2001 ziek meldde met nekklachten als gevolg van een haar tijdens een examen overkomen auto-ongeval. Na uitgebreide revalidatie heeft appellante hervat in aangepast werk. De wachttijd voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is op verzoek van de werkgever met 24 weken verlengd. De werkhervatting is mislukt.

Op 5 maart 2003 is appellante onderzocht door een verzekeringsarts die op basis van de anamnese en lichamelijk en psychisch onderzoek fysieke en psychische beperkingen aannam, die hij neerlegde in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Op basis daarvan selecteerde een arbeidsdeskundige functies uit het Claim Beoordeling- en Borgingsysteem (CBBS). Hij berekende het verlies aan verdiencapaciteit van appellante op 46,9%. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv appellante bij besluit van 24 april 2003 met ingang van 8 april 2003 een WAO-uitkering naar de arbeidsongeschiktheids-klasse 45 tot 55% toegekend. De bezwaren van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 11 februari 2004 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante de in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden herhaald en in het bijzonder gerefereerd aan het in eerste aanleg ingebrachte rapport van neuropsycholoog Matser van een door hem op 30 juli 2004 bij appellante verricht neuropsychologisch onderzoek.

De Raad ziet in hetgeen namens en door appellante naar voren is gebracht onvoldoende aanleiding om het oordeel van de rechtbank zoals neergelegd in de aangevallen uitspraak niet te volgen.

De Raad is van oordeel dat de beperkingen van appellante na een zorgvuldig medisch onderzoek zijn vastgesteld. De beschikbare medische informatie geeft onvoldoende aanleiding om te oordelen dat de (bezwaar)verzekeringsarts de beperkingen van appellante op de datum in geding, 8 april 2003, heeft onderschat. De bevindingen en conclusies van Matser geven de Raad geen aanleiding anders te oordelen. Het onderzoek van Matser heeft plaatsgehad in juli 2004, derhalve geruime tijd na de datum in geding. Voorts is de Raad van oordeel dat bezwaarverzekeringsarts J.H. Nagel in zijn rapport van 19 oktober 2004, opgesteld in reactie op het rapport van Matser, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de bevindingen van Matser geen aanleiding vormen om voor appellante verdergaande beperkingen aan te nemen. Ook in de omstandigheid dat de WAO-uitkering van appellante recent, in 2007, is verhoogd naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100% ziet de Raad geen reden appellante op de datum in geding meer beperkt te achten. De aan deze herziening ten grondslag gelegde rapportage van 17 april 2007, waarop pas ter zitting van de Raad door appellante een beroep is gedaan, geeft de Raad geen grond voor twijfel aan de voor appellante vastgestelde beperkingen. Niet alleen is laatstgenoemde rapportage opgemaakt 4 jaar na de datum thans in geding, maar deze rapportage roept ook vragen op, nu in die rapportage van een andere diagnose is uitgegaan. Daarbij laat de Raad in het midden of de psycho-mentale toestand van appellante sedert 2003 feitelijk is verslechterd.

Ten aanzien van de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit stelt de Raad vast dat het Uwv in hoger beroep een uitgebreide toelichting op de functiebelastingen en de daarin voorkomende overschrijdingen van de belastbaarheid van appellante heeft gegeven. De Raad is van oordeel dat de geschiktheid van de functies thans voldoende vaststaat. De Raad is dan ook van oordeel dat het Uwv terecht appellante in staat heeft geacht deze functies te vervullen.

De Raad stelt echter vast dat het bestreden besluit vóór 1 juli 2005 is genomen en dat pas in de (hoger) beroepsfase uiteindelijk de gewenst geachte arbeidskundige onderbouwing is gegeven. Gelet op het standpunt van de Raad met betrekking tot het CBBS moet dit tot de conclusie leiden dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van dat besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand kunnen worden gelaten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Gunter.