Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB1033

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2007
Datum publicatie
06-08-2007
Zaaknummer
06-4192 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omvang geding. Herziening/intrekking en terugvordering. Schending inlichtingenverplichting. Ontbreken van opschortingsbesluit. Volledige zorg voor dochter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4192 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 23 juni 2006, 06/2747 en 06/2748 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College)

Datum uitspraak: 31 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A.L. Timmermans, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2007. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J.C.J. Crombach, werkzaam bij de gemeente Tilburg.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving sedert 5 juni 1992 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

Op 19 september 2005 heeft appellant het College gemeld dat zijn dochter sinds 5 april 2005 in een instelling verblijft.

Naar aanleiding van ingekomen informatie dat appellant een Mercedes Benz op zijn naam had staan heeft het Team Fraudebestrijding van de gemeente Tilburg een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is op 26 januari 2006 onaangekondigd een huisbezoek gebracht aan de woning van appellant. In de woning van appellant werden onder meer een televisie en geluidsapparatuur van het merk B&O aangetroffen waarop appellant verklaarde dat deze spullen niet van hem, maar van een ander waren.

Bij brief van 7 februari 2006 heeft het College appellant verzocht om vóór 21 februari 2006 kopieën van de aankoopnota's van de televisie en de geluidsapparatuur in te leveren. Daarbij is aan appellant meegedeeld dat, indien hij de bewijsstukken niet inlevert, zijn uitkering - die vanaf 1 februari 2006 al niet meer wordt betaald - kan worden beëindigd.

Nadat het College had geconstateerd dat appellant de gevraagde gegevens niet vóór 21 februari 2006 had overgelegd, is bij besluit van 4 april 2006 met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand van appellant met ingang van 1 februari 2006 beëindigd (lees: ingetrokken). Bij dat besluit heeft het College tevens met toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB de aan appellant over de periode van 1 mei 2005 tot en met 31 januari 2006 verleende bijstand herzien en alsnog berekend naar de norm voor een alleenstaande. Verder heeft het College met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de kosten van de over die periode teveel betaalde bijstand tot een bedrag van € 2.564,29 van appellant teruggevorderd.

Bij besluit van 11 mei 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 4 april 2006 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 mei 2006 ongegrond verklaard.

De voorzieningenrechter heeft ten aanzien van de intrekking van de bijstand met ingang van 1 februari 2006 geoordeeld dat appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of hij recht heeft op bijstand.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep ongegrond is verklaard.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Omvang geding

De Raad stelt eerst - ambtshalve - vast dat de voorzieningenrechter van de rechtbank zijn oordeel over de intrekking van de bijstand met ingang van 1 februari 2006 niet heeft gebaseerd op een door het College aan het besluit van 11 mei 2006 ten grondslag gelegde grond. Naar vaste rechtspraak van de Raad verdraagt zich niet met de in artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde afbakening van de omvang van het geding dat de bestuursrechter in het kader van de toetsing van het in beroep bestreden besluit de grondslag van dat besluit uitbreidt. Voor zover de rechtbank mocht hebben beoogd aldus toepassing te geven aan artikel 8:69, tweede lid, van de Awb, wijst de Raad erop dat deze bepaling uitsluitend ziet op het ambtshalve aanvullen van de rechtsgronden van het beroep en dus niet op (de motivering van) het in beroep bestreden besluit.

De Raad ziet, mede gelet op het gegeven dat artikel 8:69, eerste (en tweede) lid, van de Awb van openbare orde is, reeds in het voorgaande aanleiding de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, te vernietigen.

De Raad zal vervolgens doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen.

De intrekking

Artikel 54, eerste lid, van de WWB bepaalt dat, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het College van burgemeester en wethouders het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken kan opschorten:

a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of

b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.

Ingevolge artikel 54, vierde lid, van de WWB kan het College, als de belanghebbende in het geval zoals bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

De Raad ziet geen grond de brief van 7 februari 2006 aan te merken als een besluit tot opschorting van het recht op bijstand, zoals door het College bij het besluit van 11 mei 2006 is gedaan. Gelet op de inhoud van de brief van 7 februari 2006, waarin niet is aangegeven dat appellant met ingang van een bepaalde datum in verzuim is, kan de Raad deze brief niet anders duiden dan als een mededeling dat, hangende het op 26 januari 2006 gestarte onderzoek, de uitbetaling van de bijstand met ingang van 1 februari 2006 is geblokkeerd. Nu een besluit tot opschorting van het recht op bijstand als bedoeld in artikel 54, eerste lid, van de WWB ontbreekt, was het College niet bevoegd de bijstand van appellant onder toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB met ingang van 1 februari 2006 in te trekken. Dit betekent dat het beroep van appellant gegrond moet worden verklaard en het besluit van 11 mei 2006, voor zover dit ziet op de intrekking van de bijstand met ingang van 1 februari 2006, moet worden vernietigd.

De Raad ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het besluit van 11 mei 2006 in stand te laten en overweegt daartoe als volgt.

Uit de gedingstukken blijkt dat appellant de bij de brief van 7 februari 2006 gevraagde kopieën van de aankoopnota's van de televisie en de geluidsapparatuur van het merk B&O niet vóór 21 februari 2006 heeft verstrekt. Aangezien het hier gaat om gegevens waarvan het appellant redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de verlening en voortzetting van de bijstand, heeft appellant de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Aangezien uit de gedingstukken verder blijkt dat het College inmiddels wel over de bij de brief van 7 februari 2006 gevraagde informatie beschikt kan de bijstand niet worden ingetrokken op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Het College zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant tegen de intrekking van de bijstand met ingang van 1 februari 2006. Daarbij dient tevens te worden beslist op het verzoek van appellant tot vergoeding van de kosten voor de behandeling van het bezwaar.

De herziening

Aan de herziening van de bijstand over de periode van 1 mei 2005 tot en met

31 januari 2006 ligt ten grondslag dat appellant gedurende die periode als een alleenstaande moet worden aangemerkt en aan hem ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder is verleend.

Ingevolge artikel 4, aanhef en onder b, van de WWB, voor zover van belang, wordt onder alleenstaande ouder verstaan de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor een of meer tot zijn last komende kinderen. Tussen partijen is in geschil of appellant ten tijde hier van belang de volledige zorg had over zijn dochter. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat daarvan geen sprake was. De Raad kan zich met hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft overwogen verenigen. Ook de Raad acht daarbij van doorslaggevend belang dat de dochter van appellant is opgenomen in een instelling en dat die instelling door de week voor zijn dochter zorgdraagt en daarnaast bepaalt of de dochter het weekend bij appellant of haar moeder zal verblijven.

Een en ander betekent dat appellant gedurende de hier in geding zijnde periode geen alleenstaande ouder was. Aan appellant is dan ook ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder verleend. Aangezien appellant slechts recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande en er voor het College geen grond bestond toepassing te geven aan zijn beleid inzake co-ouderschap was het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB bevoegd de bijstand van appellant over de periode in geding te herzien naar de norm voor een alleenstaande.

Het College voert het beleid dat in gevallen waarin de bevoegdheid tot herziening wordt ontleend aan artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB in beginsel steeds tot intrekking van de tot een te hoog bedrag verleende bijstand wordt overgegaan. Daarvan kan worden afgezien indien sprake is van dringende redenen. Naar het oordeel van de Raad gaat dit beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. Het College heeft met zijn besluit tot herziening overeenkomstig dit beleid ten aanzien van appellant gehandeld. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, in afwijking van het beleid (geheel of gedeeltelijk) van herziening had moeten afzien. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat aan hem tot een te hoog bedrag aan bijstand is verleend. Van degene die bijstand ontvangt naar de norm voor een alleenstaande ouder mag immers worden verwacht dat hij weet dat wanneer zijn kind in een instelling wordt opgenomen dit gevolgen heeft voor de hoogte van zijn uitkering.

De terugvordering

Met het voorgaande is tevens gegeven dat over de periode van 1 mei 2005 tot en met

31 januari 2006 is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering met toepassing van artikel 58, eerste lid, onder a, van de WWB. Het College was dan ook bevoegd om de kosten van de over die periode tot een te hoog bedrag verleende bijstand over die periode van appellant terug te vorderen.

Het College voert het beleid dat in gevallen als bedoeld in de artikelen 58 en 59 van de WWB in beginsel steeds wordt teruggevorderd. Daarvan wordt afgezien indien het terug te vorderen bedrag lager is dan € 100,-- of wanneer daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Naar het oordeel van de Raad gaat ook dit beleid - althans voor zover het betreft de terugvordering van bijstand die het gevolg is van een herzienings- of intrekkingsbesluit op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB - de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. In het voorliggende geval wordt vastgesteld dat het College heeft gehandeld overeenkomstig dit beleid en dat in hetgeen is aangevoerd geen bijzondere omstandigheden zijn gelegen om, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van dit beleid af te wijken. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat het appellant, zoals hiervoor reeds is overwogen, redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat aan hem tot een te hoog bedrag aan bijstand is verleend.

Proceskosten

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 11 mei 2006 voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van de bijstand;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,-- te betalen door de gemeente Tilburg;

Bepaalt dat de gemeente Tilburg aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en C. van Viegen en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2007.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) A.C. Palmboom.