Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB1031

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-08-2007
Datum publicatie
07-08-2007
Zaaknummer
06-2782 REA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toetsingskader werkvoorzieningen zelfstandigen. Aanvraag werkvoorziening in de vorm van twee melkrobotten op grond van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten.

Wetsverwijzingen
Reïntegratie-instrumenten-besluit Wet REA 2, geldigheid: 2007-08-01
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten 22, geldigheid: 2007-08-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2007/273
RSV 2007, 305

Uitspraak

06/2782 REA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 april 2006, 05/2766 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 1 augustus 2007

I. PROCESVERLOOP

1.1. Namens appellant heeft mr. F.A.C. Klaassen, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

1.2. Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Klaassen. Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is zelfstandig melkveehouder. Hij heeft een bedrijf met ruim honderd melkkoeien. Hij ondervindt bij het werk beperkingen vanwege een chronische reumatische aandoening. In verband daarmee heeft Uwv hem per 30 juni 2003 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (WAZ), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, toegekend.

1.2. Op 12 november 2003 heeft appellant op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet REA) een werkvoorziening aangevraagd in de vorm van twee melkrobotten. De geoffreerde aanschafprijs bedraagt

€ 271.820,--.

1.3. Over de gevraagde voorziening heeft verzekeringsarts L. Moraca van Uwv in de rapportage van 5 mei 2004 positief geadviseerd, omdat appellant structurele beperkingen ondervindt bij handbelasting (bij het melken) en ook bij overig lichamelijk inspannend werk.

1.4. Ing. J.H. Olminkhof, specialist melkwinning en automatisch melken van DLV Bouw, Milieu en Techniek B.V. (DLV), heeft op 28 september 2004 advies uitgebracht aan Uwv, inhoudend dat de installatie van een DeLaval RVS-2 box VMS automatisch melksysteem de meest adequate en goedkope oplossing is voor het ondervangen van de fysieke belasting van appellant bij het melken.

1.5. De arbeidsdeskundige van het Uwv, M.J. van Deursen, komt in zijn rapport van 2 november 2004 op basis van het advies van ing. Olminkhof tot de conclusie dat de vergoeding van de meerkosten van een automatisch melksysteem de goedkoopste adequate voorziening vormt.

1.6. Vervolgens heeft de bedrijfseconomisch adviseur van het Uwv, W.H.C.M. van den Berg (hierna: BEA), in zijn rapportage van 3 maart 2005 aangegeven dat bij de berekening van de meerkosten van de voorziening dient te worden uitgegaan van een technisch/economische afschrijvingstermijn van 10 jaar en dat de rentekosten moeten worden meegenomen in de berekening. De kosten van de voorziening bedragen - over tien jaar - totaal € 624.259,-- (uitgaande van de DLV-referentiebedragen) dan wel € 762.059,-- (uitgaande van de werkelijke bedrijfskosten). De BEA acht, ongeacht van welk van de twee bedragen wordt uitgegaan, de kosten op jaarbasis disproportioneel omdat zij de uitkeringskosten te boven gaan. Voorts wordt de gevraagde voorziening voor het bedrijf als dat van appellant door hem algemeen gebruikelijk geacht.

1.7. Bij besluit van 8 maart 2005 heeft Uwv de aanvraag op grond van de door de BEA genoemde disproportionaliteit afgewezen.

1.8. Naar aanleiding van het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft de bezwaararbeidsdeskundige

A.A.J.M. Kamp op 23 juni 2005 rapport uitgebracht. In dat rapport komt hij tot de conclusie dat er sprake is van een significante disproportionaliteit.

1.9. Bij besluit van 1 juli 2005 heeft Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 maart 2005 ongegrond verklaard. Hieraan ligt, onder verwijzing naar artikel 22 Wet REA en het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet REA (hierna: Besluit), het standpunt ten grondslag dat de kosten van de aangevraagde voorziening op jaarbasis significant disproportioneel zijn, omdat zij de uitkeringskosten ver te boven gaan. Bovendien wordt een melkrobot voor een bedrijf met de omvang van dat van appellant als algemeen gebruikelijk beschouwd.

1.10. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

1 juli 2005 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Uwv het algemeen gebruikelijk zijn van de melkrobot voor een bedrijf als dat van appellant onvoldoende gemotiveerd. Desondanks kan het besluit van 1 juli 2005 naar het oordeel van de rechtbank in stand blijven, omdat de melkrobot terecht wegens disproportionaliteit is afgewezen.

1.11. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op de standpunten van partijen zal, voor zover van belang, hierna bij de beoordeling worden ingegaan.

2. 1. Artikel 22 van de Wet REA luidde ten tijde in geding en voor zover van belang als volgt:

“1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan aan de arbeidsgehandicapte, bedoeld in artikel 10, op aanvraag of ambtshalve voorzieningen toekennen die strekken tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid.

2. Onder voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval verstaan:

a. scholing of opleiding;

b. voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het kunnen volgen van scholing of opleiding als bedoeld in onderdeel a;

c. voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het kunnen verrichten van onbeloonde werkzaamheden op een proefplaats bij een werkgever en voor het kunnen deelnemen aan andere activiteiten die bevorderlijk zijn voor de inschakeling in de arbeid.

3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan op aanvraag aan de arbeidsgehandicapte, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, andere voorzieningen toekennen die strekken tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid dan de voorzieningen, bedoeld in het tweede lid, indien zij noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de werkzaamheden op grond waarvan de arbeidsgehandicapte verzekerd is voor de WAZ.”

2.2. Artikel 2 van het Besluit luidde ten tijde van belang als volgt:

“1. Een subsidie als bedoeld in (…) artikel 22 en 31 van de Wet, wordt niet verstrekt indien kosten zijn gemaakt ten behoeve van voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn of waarvoor vergoeding op grond van een andere wettelijke regeling mogelijk is.

2. In afwijking van het eerste lid kan (…) een voorziening als bedoeld in artikel 22 en 31 van de Wet, wel verstrekt worden indien deze dient ter vergoeding van kosten of voorzieningen die niet algemeen gebruikelijk zijn en niet op grond van een andere wettelijke regeling worden vergoed of verstrekt en vrijwel uitsluitend zijn geïndiceerd voor de werksituatie, dan wel vrijwel uitsluitend kunnen worden gebruikt voor of in de werksituatie.

3. Bij de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt bij de beoordeling en berekening van de kosten en de verstrekking van een voorziening uitgegaan van de goedkoopste adequate voorziening.”

3.1.1. Gelet op artikel 22 van de Wet REA is, in geval van een aanvraag om een werkvoorziening voor een zelfstandige, in de eerste plaats van belang of de gevraagde voorziening strekt tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid, en meer in het bijzonder of de gevraagde voorziening noodzakelijk is voor de uitoefening van de werkzaamheden op grond waarvan de arbeidsgehandicapte verzekerd is voor de WAZ. Eerst als aan deze voorwaarde is voldaan, is er voor Uwv een bevoegdheid tot het verstrekken van voorzieningen.

3.1.2. In het geval van appellant is hiervan sprake, omdat uit de rapportages van 5 mei 2004 en 2 november 2004 van de verzekeringsarts Moraca respectievelijk de arbeidsdeskundige Van Deursen blijkt dat hij is aangewezen op het gebruik van een melkrobot ten behoeve van het melken.

3.2.1. Bij de beoordeling of en zo ja, welke voorziening zal worden verstrekt is voorts van belang dat op grond van artikel 2 van het Besluit geen voorzieningen worden verstrekt die algemeen gebruikelijk zijn of die duurder zijn dan de goedkoopste adequate voorziening.

3.2.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit van 1 juli 2005, voor zover dat was gebaseerd op het algemeen gebruikelijk zijn van een melkrobot, onvoldoende gemotiveerd is. Aangezien Uwv geen hoger beroep heeft ingesteld en appellant in hoger beroep geen grief heeft aangevoerd die hiermee samenhangt, valt de beoordeling van deze weigeringsgrond buiten de omvang van het geding in hoger beroep.

3.2.3. Uit de rapportage van 2 november 2004 van de arbeidsdeskundige Van Deursen blijkt dat de goedkoopste adequate voorziening de installatie van een Delaval RVS-2 box automatisch melksysteem is.

3.3.1. In het kader van de uitoefening van zijn wettelijke bevoegdheid hanteert Uwv als uitgangspunt dat voorzieningen die qua kosten disproportioneel zijn ten opzichte van de baten niet voor verstrekking in aanmerking komen. Naar het oordeel van de Raad gaat dit de grenzen van een redelijke beleidsbepaling in beginsel niet te buiten.

3.3.2. Met betrekking tot de toepassing van dit uitgangspunt in het voorliggende geval overweegt de Raad het volgende.

3.3.3. De Raad stelt voorop dat noch in het besluit van 1 juli 2005 en in de daaraan ten grondslag liggende rapportages van arbeidsdeskundigen en BEA, noch in de overige gedingstukken inzicht wordt gegeven in de concrete maatstaven die door Uwv in het algemeen worden aangelegd bij de beoordeling van de (dis)proportionaliteit van een gevraagde voorziening.

3.3.4. Uit de rapportage van de BEA maakt de Raad op dat in het geval van appellant enkel de - hoog berekende - kosten van de voorziening zijn afgezet tegen de - niet nader aangegeven - kosten van de WAZ-uitkering van appellant. Uwv heeft zijn standpunt dat de kosten van de melkrobot disproportioneel zijn, gebaseerd op de berekening van de BEA. Daarbij is uitgegaan van een (technisch/economische) afschrijvingstermijn van 10 jaar, en van bedragen van € 624.259,-- dan wel

€ 762.059,-- als totale kosten van de gevraagde voorziening. De keuze voor de afschrijvingstermijn is niet nader gemotiveerd.

3.3.5. Appellant betwist dat van een afschrijvingstermijn van 10 jaar moet worden uitgegaan. Ter zitting heeft hij meegedeeld dat melkrobotten in de praktijk zeer duurzaam zijn gebleken. Bij het inmiddels door hem aangeschafte melkrobotsysteem is daarom uitgegaan van een afschrijvingstermijn van 15 jaar. In het licht hiervan acht de Raad de keuze voor een afschrijvingstermijn van 10 jaar onvoldoende gemotiveerd.

3.3.6. Appellant heeft verzocht om de kosten van een tweetal melkrobots van in totaal ongeveer € 230.000,-- excl. BTW. Het goedkoopste adequate alternatief (van een andere fabrikant dan de geoffreerde melkrobotten) bedraagt blijkens tabel 1 van het rapport van DLV € 215.000,-- excl. BTW. Uwv betrekt in navolging van de BEA bij de afweging of de goedkoopste adequate voorziening disproportioneel is, niet alleen de kosten van de melkrobots maar ook de kennelijk niet gevraagde kosten die betrekking hebben op de stal ad € 48.500,--. Dit acht de Raad onjuist, temeer nu appellant bij herhaling heeft aangegeven ook genoegen te nemen met een gedeeltelijke vergoeding van de kosten. Ditzelfde geldt voor het bedrag van

€ 250.056,-- aan hogere exploitatielasten, berekend over 10 jaar. De Raad is uit de gedingstukken niet gebleken dat appellant deze - niet gevraagde - kosten (zoals een hoger energiegebruik en extra kosten van voer) niet zelf zou kunnen en willen dragen.

3.3.7. Een en ander heeft tot gevolg dat Uwv bij de beoordeling of de kosten van de goedkoopste adequate voorziening disproportioneel zijn, is uitgegaan van een onjuist bedrag aan kosten voor het Uwv, zodat reeds hierom het besluit van 1 juli 2005 niet in stand kan blijven.

3.3.8. Voorts is de Raad van oordeel dat het op de weg van Uwv ligt om, indien vergoeding van de totale kosten van de goedkoopste adequate voorziening disproportioneel worden geacht, te onderzoeken of volstaan kan worden met een gedeeltelijke, wel proportionele vergoeding. Daarbij zal ook van belang zijn of de aanschaf van de voorziening voor de betrokken verzekerde zelfstandige financieel haalbaar is. Dit onderzoek heeft Uwv ten onrechte nagelaten.

3.4. Het voorgaande leidt ertoe dat het beroep gegrond is en dat besluit van 1 juli 2005 - met vernietiging van de aangevallen uitspraak - wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt vernietigd.

3.5. Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel faalt, omdat niet is aangetoond dat de niet nader aangeduide gevallen in relevant te achten opzicht met dat van appellant te vergelijken zijn.

3.6. Uwv dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daarbij dient inzicht te worden gegeven in de maatstaven aan de hand waarvan Uwv in het kader van de proportionaliteit voorzieningen als de aangevraagde beoordeelt.

4. Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat het besluit van 1 juli 2005 wordt vernietigd op grond van gebreken in de zorgvuldigheid en motivering ervan en dat Uwv een nader besluit zal dienen te nemen. Daarom ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over de verzochte veroordeling tot schadevergoeding uit te spreken nu niet vaststaat hoe het nader besluit zal gaan luiden.

5. De Raad ziet, gelet op het voorgaande, aanleiding om Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 1 juli 2005;

Bepaalt dat Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door Uwv;

Bepaalt dat Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Bagga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2007.

(get.) R.M. van Male.

(get.) S.R. Bagga.