Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB0887

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-08-2007
Datum publicatie
02-08-2007
Zaaknummer
05-5052 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum ziekengeld. Als pas na verloop van tijd duidelijk wordt dat een ziekmelding zijn oorzaak vindt in klachten samenhangend met zwangerschap ontstaat de verplichting tot tijdige ziekmelding op het moment dat het de werkgever redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat de betrokken werkneemster aanspraak op ziekengeld kan maken.

Wetsverwijzingen
Ziektewet 38a, geldigheid: 2007-08-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2007/258 met annotatie van Red

Uitspraak

05/5052 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 juni 2005, 04/4694 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 1 augustus 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 20 juni 2007, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Van toepassing zijn de bepalingen van de Ziektewet (ZW), zoals deze ten tijde in geding luidden.

Betrokkene is op 5 april 2004 uitgevallen voor haar werk bij Maatschap Tandartsenpaktijk [naam Maatschap].

Op 21 mei 2004 is door de bedrijfsarts vastgesteld dat de klachten waardoor betrokkene arbeidsongeschikt was, zwangerschapsgerelateerd waren. De bedrijfsarts heeft dit op 21 mei 2004 per post aan de werkgever gerapporteerd en daarbij aangegeven dat de werkgever dit diende aan te melden bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

De werkgever heeft vervolgens op 8 juni 2004 bij het Uwv een aanvraag om ziekengelduitkering ingediend.

Bij besluit van 21 juli 2004 heeft appellant aan betrokkene meegedeeld dat haar eerst met ingang van 8 juni 2004 ziekengeld werd uitbetaald.

Appellant heeft ter motivering van zijn besluit verwezen naar artikel 38a van de ZW, waarvan het eerste lid – voorzover hier van belang – bepaalt dat de verzekerde die aanspraak maakt op ziekengeld in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte verplicht is dit zo spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later dan op de tweede dag van die ongeschiktheid te melden aan zijn werkgever. Ingevolge het tweede lid van voormeld artikel meldt de werkgever, na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde melding, aan het Uwv zo spoedig mogelijk, doch in elk geval niet later dan op de vierde dag van de ongeschiktheid tot werken, de eerste werkdag waarop die verzekerde wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Het derde lid van artikel 38a van de ZW bepaalt dat, indien de werkgever jegens wie de verzekerde recht heeft op loon als bedoeld in artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek (BW), de melding, bedoeld in het tweede lid, later doet dan in dat lid is voorgeschreven, het ziekengeld tot de datum van die melding niet wordt uitbetaald.

Namens betrokkene is tegen het besluit van 21 juli 2004 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 21 oktober 2004 (het bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd, daarbij – kort samengevat – overwegende dat een redelijke wetsuitleg van artikel 38a, derde lid van de ZW in dit geval leidt tot het oordeel dat het ziekengeld slechts kon worden geweigerd over de periode dat de werkgever in verzuim is geweest. In aanmerking nemend dat de werkgever vanaf 22 mei 2004, de datum van ontvangst van het rapport van de bedrijfsarts, kon weten dat de klachten van appellante zwangerschapsgerelateerd waren en dat de werkgever dus eerst vanaf 26 mei 2004, de dag na het verstrijken van de in artikel 38a, tweede lid van de ZW genoemde termijn van vier dagen in verzuim was, achtte de rechtbank de weigering van ziekengeld over de periode van

5 april 2004 tot en met 25 mei 2004 in strijd met artikel 38a, derde lid van de ZW.

De Raad overweegt het volgende.

De hiervoor vermelde in artikel 38a, tweede lid van de ZW neergelegde meldingsplicht is dwingendrechtelijk van aard. De Raad heeft hierop in zijn uitspraak van 24 september 2002, 00/3418 ZW (LJN: AF8109) in zoverre een nuance aangebracht dat in geval pas na verloop van tijd duidelijk wordt dat een ziekmelding zijn oorzaak vindt in klachten samenhangend met zwangerschap van de betrokken werkneemster, een redelijke wetsuitleg meebrengt dat de verplichting tot tijdige ziekmelding ontstaat op het moment dat de werkgever redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat de betrokken werkneemster aanspraak op ziekengeld kan maken.

Niet in geding is dat op de werkgever van betrokkene een verplichting tot loonbetaling rustte als bedoeld in artikel 7:629 van het BW. Tussen partijen is verder niet in geschil en ook voor de Raad staat vast dat de werkgever na ontvangst van de rapportage van de arbodienst op 22 mei 2004 ervan op de hoogte kon zijn dat betrokkene aanspraak kon maken op ziekengeld. Gelet op het vorenstaande was op die datum sprake van een situatie waarin voor de werkgever van betrokkene de verplichting ontstond om de ongeschiktheid tot werken, uiterlijk op de vierde dag nadien, bij het Uwv te melden. Nu dit niet binnen deze termijn is gebeurd, moet de Raad vaststellen dat de in artikel 38a, tweede lid van de ZW neergelegde verplichting is overtreden, zodat op grond van die bepaling terecht tot de datum van de ziekmelding geen ziekengeld is uitbetaald.

In hetgeen van de zijde van betrokkene in eerste aanleg is aangevoerd ziet de Raad geen reden te oordelen dat de te late melding de werkgever niet kan worden verweten. Van de werkgever mocht worden verwacht dat hij tijdens de vakantie had gezorgd voor een adequate verwerking van de post.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en dat het inleidend beroep alsnog ongegrond moet worden verklaard.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Gunter.