Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB0835

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2007
Datum publicatie
02-08-2007
Zaaknummer
06-4901 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omzetting geldlening in een bijstand om niet. Renteschade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 304

Uitspraak

06/4901 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 14 juli 2006, 05/2107 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo (hierna: College)

Datum uitspraak: 31 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.E.L.T. Balkema, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2007. Appellante is verschenen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante heeft op 13 mei 2002 een aanvraag ingediend om bijstand voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) en het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz).

Bij besluit van 23 juli 2002 heeft het College naar aanleiding van de aanvraag van 13 mei 2002 aan appellante bijstand voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan toegekend over de periode van 1 september 2002 tot 1 september 2003. Het College heeft appellante daarbij meegedeeld dat de bijstand wordt verstrekt in de vorm van een renteloze lening in afwachting van de definitieve vaststelling van de bijstand en dat, zodra het inkomen bekend is over het boekjaar waarin de bijstand is verstrekt, de hoogte van de bijstand definitief wordt vastgesteld. Voorts heeft het College appellante meegedeeld dat de bijstand op 1 april 2003 voorlopig op nihil wordt gesteld.

Bij besluit van 24 september 2002 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 juli 2002 gegrond verklaard en het besluit van 23 juli 2002 gewijzigd in die zin dat de uitkering tot 1 juli 2003 normaal betaalbaar wordt gesteld.

Bij besluit van 23 maart 2005 heeft het College de over de periode van 1 september 2002 tot en met 31 december 2002 aan appellante verleende bijstand tot een bedrag van € 4.957,88 omgezet in bijstand om niet. Voorts heeft het College bij dat besluit de over de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 juni 2003 aan appellante verleende bijstand tot een bedrag van

€ 5.043,28 omgezet in bijstand om niet en van appellante € 2.716,40 teruggevorderd. Het College heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 12 van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004).

Bij besluit van 8 november 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 23 maart 2005 deels gegrond verklaard en het besluit van 23 maart 2005 gewijzigd in die zin dat de over de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 augustus 2003 aan appellante verleende bijstand tot een bedrag van € 7.519,70 wordt omgezet in bijstand om niet en wordt afgezien van terugvordering van € 239,89. Het College heeft daarbij alsnog toepassing gegeven aan artikel 10 van het Bbz.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 8 november 2005 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij stelt zich op het standpunt dat de aan haar over de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 augustus 2003 verleende bijstand volledig moet worden omgezet in een bedrag om niet en dat aan haar over die periode nog een bedrag van € 2.592,64 bijstand moet worden verleend. Tevens heeft zij verzocht het College te veroordelen tot schadevergoeding (wettelijke rente).

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het toepasselijke recht

In artikel 5, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Wet werk en bijstand (IWWB) is bepaald dat op een aanvraag tot het verlenen van bijstand wordt beslist met toepassing van de Abw indien het recht op bijstand ingaat vóór of op de peildatum (31 december 2003).

De Raad stelt vast dat appellante op 13 mei 2002 een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Naar aanleiding van die aanvraag heeft het College bij besluit van 23 juli 2002, zoals gewijzigd bij besluit van 27 september 2002, over de periode van 1 september 2002 tot 1 september 2003 bijstand toegekend in de vorm van een renteloze lening in afwachting van de definitieve vaststelling van de bijstand. Bij besluit van 23 maart 2005, zoals gewijzigd bij besluit van 8 november 2005, heeft het College het recht op bijstand over de periode van 1 september 2002 tot 1 september 2003 definitief vastgesteld. De Raad is van oordeel dat het besluit van 23 maart 2005 voor de toepassing van artikel 5 van de IWWB moet worden aangemerkt als een beslissing op de aanvraag van 13 mei 2002. Dit brengt mee dat het College, gelet op het bepaalde in artikel 5, aanhef en onder a, van de IWWB, terecht met toepassing van het Bbz op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 maart 2005 heeft beslist.

Ten gronde

Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Abw heeft, indien aan een zelfstandige op grond van artikel 8 van de Abw, anders dan ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal, bijstand wordt verleend, deze bijstand voorlopig de vorm van een renteloze geldlening die in maandelijkse termijnen wordt uitbetaald. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt, zodra het inkomen bekend is over het boekjaar waarin de in het eerste lid bedoelde bijstand is verleend, de hoogte van deze bijstand definitief vastgesteld en vindt, voor zover het vermogen van de zelfstandige een bij algemene maatregel van bestuur te stellen grens niet te boven gaat, tot die hoogte omzetting plaats in een bedrag om niet.

In artikel 10, eerste lid, van het Bbz is bepaald dat burgemeester en wethouders een nadere beslissing nemen met betrekking tot de verleende bijstand, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Abw, nadat zij het netto inkomen uit bedrijf of zelfstandig beroep definitief hebben vastgesteld aan de hand van de administratie. De zelfstandige legt deze binnen zes maanden na afloop van het boekjaar over aan burgemeester en wethouders.

Artikel 10, tweede lid, van het Bbz luidt als volgt:

"Indien de verleende bijstand, vermeerderd met het in het desbetreffende boekjaar behaalde netto inkomen

a. minder is dan de jaarnorm, wordt ambtshalve voor het verschil bijstand verleend met dien verstande dat de totaal te verlenen bijstand niet meer bedraagt dan de jaarnorm berekend naar evenredigheid over de periode waarin over het betreffende boekjaar bijstand is verleend, waarbij de als geldlening verstrekte bijstand wordt omgezet in een bedrag om niet;

b. gelijk is aan de jaarnorm, wordt de als geldlening verstrekte bijstand omgezet in een bedrag om niet;

c. meer is dan de jaarnorm, wordt de bijstand ter grootte van het verschil teruggevorderd en wordt de rest van de als geldlening verstrekte bijstand omgezet in een bedrag om niet.".

In artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz is bepaald dat onder boekjaar wordt verstaan de periode van twaalf maanden waarover de administratie van de zelfstandige wordt gevoerd. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van het Bbz wordt onder netto-inkomen verstaan het over het boekjaar verworven inkomen, bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3, paragraaf 2, van de Abw. In artikel 1, aanhef en onder f is bepaald dat onder jaarnorm wordt verstaan de tot een bedrag per boekjaar omgerekende som van de bijstandsnorm, bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 1, paragraaf 2 en 3 van de Abw en de verleende bijzondere bijstand.

De Raad stelt allereerst vast dat de periode van twaalf maanden waarover appellante haar administratie voert loopt van 1 januari tot en met 31 december, zodat, gelet op artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz het boekjaar 2003 samenvalt met het kalenderjaar 2003.

Ten einde het recht op bijstand van appellante over de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 augustus 2003 definitief te kunnen vaststellen, dient het College ingevolge artikel 10, tweede lid, van het Bbz, bezien in samenhang met artikel 1, aanhef en onder c, d en f, van het Bbz, de in het (met het boekjaar samenvallende) kalenderjaar 2003 verleende bijstand, vermeerderd met het in 2003 behaalde netto-inkomen, te vergelijken met de tot een bedrag over 2003 omgerekende som van de bijstandsnorm, bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 1, paragraaf 2 en 3 van de Abw en de verleende bijzondere bijstand. Het College heeft echter, in strijd met genoemde bepalingen, bij de definitieve vaststelling van het recht op bijstand de over de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 augustus 2003 verleende bijstand, vermeerderd met het aan die periode toe te rekenen netto-inkomen, vergeleken met de tot een bedrag over de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 augustus 2003 omgerekende som van de bijstandsnorm, bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 1, paragraaf 2 en 3 van de Abw en de verleende bijzondere bijstand.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad - met gegrondverklaring van het beroep - het besluit van 8 november 2005, voor zover dat betrekking heeft op de definitieve vaststelling van het recht op bijstand over de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 augustus 2003, wegens strijd met de wet vernietigen. De Raad ziet - met het oog op finale beslechting van het geschil - aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien. Daartoe overweegt de Raad als volgt.

Uit de gedingstukken kan worden afgeleid dat aan appellante over 2003 bijstand is verleend tot een bedrag van € 7.759,68 en dat appellante, mede gelet op artikel 45, tweede lid, van de Abw, in 2003 een in aanmerking te nemen netto inkomen heeft gehad van € 4.248,80. Voorts stelt de Raad vast dat de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder van 21 jaar en ouder, doch jonger dan 65 jaar, met een toeslag van 20% van het minimumloon over de maanden januari 2003 tot en met maart 2003 € 1040,75, de maanden april 2003 tot en met juni 2003 € 1042,05 en de maanden juli 2003 tot en met december 2003 € 1044,52 bedraagt. De tot een bedrag over 2003 omgerekende bijstandsnorm moet derhalve worden bepaald op

€ 12.515,52. Uit de gedingstukken kan verder worden afgeleid dat de tot een bedrag over 2003 omgerekende verleende bijzondere bijstand € 3247,68 beloopt. Het vorenstaande brengt mee dat de aan appellante over 2003 verleende bijstand vermeerderd met het in 2003 behaalde netto inkomen (in totaal: € 12.008,48) minder is dan de tot een bedrag over 2003 omgerekende som van de bijstandsnorm, bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 1, paragraaf 2 en 3 van de Abw en de verleende bijzondere bijstand (in totaal: € 15.763,20), zodat het College is gehouden toepassing te geven aan artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bbz.

De Raad stelt verder vast dat in geval van appellante het verschil bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bbz € 3.754,72 (€ 15.763,20 - € 12.008,48) bedraagt. De jaarnorm berekend naar evenredigheid over de periode waarin over 2003 aan appellante bijstand is verleend (de periode van 1 januari 2003 tot 1 september 2003) beloopt € 10.502,56. In aanmerking genomen dat aan appellante over 2003 reeds een bedrag van € 7.759,68 aan bijstand is verstrekt, kan derhalve aan haar op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bbz maximaal € 2.742,88

(€ 10.502,56 - € 7.759,68) bijstand worden verleend. Het voorgaande betekent dat het College op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Bbz is gehouden aan appellante bijstand te verlenen tot een bedrag van € 2.742,88 en de als geldlening verstrekte bijstand over de periode van 1 januari 2003 tot 1 september 2003 ter hoogte van € 7.759,68 volledig om te zetten in een bedrag om niet.

Gelet op vorenstaande zal de Raad, zelf in de zaak voorziend, bepalen dat aan appellante bijstand wordt verleend tot een bedrag van € 2.742,88 en dat de als geldlening verstrekte bijstand over de periode van 1 januari 2003 tot en met

31 augustus 2003 ter hoogte van € 7.759,68 volledig wordt omgezet in bijstand om niet.

Schadevergoeding en proceskosten

Met het voorgaande is gegeven dat appellante als gevolg van het onrechtmatig gebleken besluit van 23 maart 2005 schade heeft geleden, bestaande in vertraagde uitbetaling van bijstand ter hoogte van € 2.742,88. Aangezien niet is gebleken van bijzondere omstandigheden rust op de gemeente Venlo de verplichting die schade te vergoeden op de voet van de artikelen 6:119 en 6:120 van het Burgerlijk Wetboek. De eerste dag waarop over de niet tijdig betaalbaar gestelde bijstand wettelijke rente is verschuldigd, wordt gesteld op 1 mei 2005. Hierbij geldt dat voor de berekening dient te worden uitgegaan van het bruto bedrag van de ten onrechte niet uitbetaalde bijstand en dat na afloop van een jaar het bedrag waarover wettelijke rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. De aldus te berekenen rente zal alsnog moeten worden voldaan, tot aan de dag der algehele vergoeding.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op

€ 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 8 november 2005, voor zover dat betrekking heeft op de definitieve vaststelling van het recht op bijstand over de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 augustus 2003;

Bepaalt dat aan appellante bijstand wordt verleend tot een bedrag van € 2.742,88 en dat de als geldlening verstrekte bijstand over de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 augustus 2003 ter hoogte van € 7.759,68 volledig wordt omgezet in bijstand om niet;

Veroordeelt het College tot vergoeding van renteschade zoals in rubriek II van deze uitspraak is aangegeven, te betalen door de gemeente Venlo;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 322,--, te betalen door de gemeente Venlo;

Bepaalt dat de gemeente Venlo aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2007.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.