Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB0826

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2007
Datum publicatie
02-08-2007
Zaaknummer
06-2160 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Plicht tot arbeidsinschakeling. Niet meewerken aan bemiddelingstraject.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2007/270
JWWB 2007, 309
RSV 2007, 259

Uitspraak

06/2160 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] , wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 27 februari 2006, 05/2296 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 31 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. van de Wiel, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Wiel. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante heeft sedert 2001 op basis van een zogenoemde in- en doorstroombaan (ID-baan) gewerkt voor de Stichting Collusie (hierna: de Stichting) die daarvoor van het College een loonkostensubsidie heeft ontvangen. Het College heeft de aan de Stichting toegekende loonkostensubsidie met ingang van (uiterlijk) 1 juli 2005 beëindigd. Vervolgens heeft de Stichting het dienstverband met appellante met ingang van 1 november 2005 beëindigd.

Bij besluit van 19 juli 2004 heeft het College appellante meegedeeld dat zij op basis van de haar bekende diagnose op grond van de Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand 2004 van de gemeente Utrecht (hierna: Reïntegratieverordening) in aanmerking komt voor een zogenoemde opstap 1 baan met ingang van (uiterlijk) 1 juli 2005. Voorts heeft het College appellante meegedeeld dat zij vanaf 1 juli 2004 door een nog aan te wijzen reïntegratiebedrijf wordt bemiddeld naar een opstap 1 baan bij een andere werkgever dan de Stichting, aangezien de Stichting had aangegeven appellante met de loonkosten-subsidie, behorend bij een opstap 1 baan, niet in dienst te zullen houden na 1 juli 2005. Ten slotte heeft het College appellante meegedeeld dat zij aan de bemiddeling moet meewerken en dat, als zij dat niet doet, het gevolg kan zijn dat de bemiddeling wordt beëindigd. Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 25 februari 2005 heeft het College de bemiddeling naar een opstap 1 baan beëindigd op de grond dat appellante niet meewerkt aan het bemiddelingstraject bij UW Reïntegratie BV (hierna: UW).

Bij besluit van 15 juli 2005 heeft het College appellante meegedeeld dat haar bezwaar tegen het besluit van 25 februari 2005 kennelijk ongegrond is.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het College in redelijkheid de bemiddeling naar een opstap 1 baan heeft kunnen stopzetten en dat, nu appellante als gevolg hiervan per 1 juli 2005 niet in aanmerking kwam voor een gesubsidieerde opstapbaan, het College voorts in redelijkheid heeft kunnen besluiten de loonkosten-subsidie per die datum niet voort te zetten. Gelet op die overwegingen heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 juli 2005 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Tevens heeft zij verzocht het College te veroordelen tot schadevergoeding.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt eerst vast - ambtshalve oordelend - dat onder dagtekening 25 februari 2005 met als onderwerp “Einde dienstverlening bemiddeling gesubsidieerde baan” aan appellante kennis is gegeven van een besluit tot beëindiging van de haar geboden bemiddeling naar een opstap 1 baan en tot intrekking van de voor haar gestelde indicatie opstap 1 baan. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 juli 2005. Dat het College in de opvatting van appellante daarmee tevens een besluit zou hebben genomen om haar niet een (persoonsgebonden) loonkostensubsidie te verlenen per 1 juli 2005, is, gelet op de tekst en de strekking van deze besluiten, niet juist. De Raad wijst er in dit verband nog op dat de loonkostensubsidie niet aan appellante maar aan haar toenmalige werkgever was verleend, dat het College die subsidie bij een eerder, afzonderlijk aan die werkgever gericht besluit reeds per 1 juli 2005 had beëindigd en dat ten tijde hier van belang een werkgever die appellante wel met een loonkostensubsidie voor een opstap 1 baan te werk wilde stellen, bovendien niet concreet aanwijsbaar was. Door niettemin in dit geding een oordeel te geven over een besluit om per 1 juli 2005 de loonkostensubsidie niet voort te zetten, is de rechtbank getreden buiten de grenzen van het haar voorgelegde geschil. Daarmee heeft de rechtbank gehandeld in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De Raad ziet, mede gelet op het gegeven dat artikel 8:69, eerste lid, van de Awb van openbare orde is, reeds in het voorgaande aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen.

De Raad zal vervolgens doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen.

Appellante heeft zich allereerst gekeerd tegen het feit dat het College haar niet in de gelegenheid heeft gesteld om naar aanleiding van haar bezwaarschrift te worden gehoord. Het College heeft zich op het standpunt gesteld dat het horen achterwege kon blijven omdat het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 februari 2005 kennelijk ongegrond was. Waar gelet op de inhoud van het bezwaarschrift niet kan worden gezegd dat hier sprake is van een situatie dat redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over de ongegrondheid daarvan, is de Raad van oordeel dat dat bezwaar niet kan worden gekenschetst als een kennelijk ongegrond bezwaar als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb. In dit verband wijst de Raad erop dat - zoals hij al vaker te kennen heeft gegeven - de uitzonderings-mogelijkheden op de hoorplicht, gezien het belang dat de wetgever blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Awb hecht aan het horen van een belanghebbende tijdens de bezwaarprocedure, restrictief dienen te worden gehanteerd.

Het voorgaande betekent dat het besluit van 15 juli 2005 wegens schending van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb niet in stand kan blijven. De Raad zal dan ook - met gegrond verklaring van het beroep - het besluit van 15 juli 2005 vernietigen. De Raad ziet in hetgeen ter zitting door appellante is aangevoerd geen aanleiding om de zaak ter verdere afhandeling naar het College terug te verwijzen. Appellante heeft naar het oordeel van de Raad haar standpunt zowel ter zitting van de rechtbank als ter zitting van de Raad naar voren kunnen brengen. Voorts acht de Raad de voorhanden zijnde gegevens toereikend om de zaak zelf inhoudelijk te beoordelen.

Artikel 10, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) bepaalt dat personen die algemene bijstand ontvangen, personen met een nabestaanden - of halfwezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet en niet-uitkeringsgerechtigden, overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, aanspraak hebben op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling. In het tweede lid van artikel 10 van de WWB is bepaald dat het eerste lid van overeenkomstige toepassing is op personen die vanwege een voorziening gericht op arbeidsinschakeling niet tot een van de groepen, bedoeld in het eerste lid, behoren. De in artikel 10, eerste lid, van de WWB bedoelde verordening is de Reïntegratieverordening.

Artikel 4, eerste lid, van de Reïntegratieverordening bepaalt, voor zover van belang, dat ondersteuning kan worden geboden door het aanbieden van een traject waarbij zonodig reïntegratie-instrumenten kunnen worden ingezet.

Artikel 10 van de Reïntegratieverordening luidt als volgt:

"1. Bemiddeling naar een opstapbaan kan een onderdeel zijn van een traject gericht op de arbeidsinschakeling.

2. De opstapbaan heeft als doel de belanghebbende door betaald werk, sneller op regulier werk te plaatsen.

3. Dit instrument kan ingezet worden wanneer door het college aan de hand van een onderzoek is vastgesteld dat de belanghebbende op korte of op middellange termijn een reëel perspectief heeft op regulier werk en een opstapbaan geïndiceerd is.

4. Het instrument wordt niet ingezet als de belanghebbende gehuwd is en het bruto-inkomen van zijn partner hoger is dan EUR 2.500,00 per maand.

5. De opstapbaan duurt maximaal één jaar als:

a. de werknemer 23 jaar of ouder en niet dakloos is en door het college aan de hand van een onderzoek is vastgesteld dat hij op korte termijn een reëel perspectief op werk heeft of als;

b. de werknemer 23 jaar of ouder en niet dakloos is en bij de aanvang van de arbeidsovereenkomst geen bijstand ontving.

6. De opstapbaan duurt maximaal twee jaar als:

a. de werknemer bij de aanvang van de arbeidsovereenkomst jonger dan 23 jaar was of als;

b. de werknemer bij aanvang van de arbeidsovereenkomst dakloos was;

c. de werknemer bij de aanvang van de arbeidsovereenkomst 23 jaar of ouder was en door het college aan de hand van een onderzoek is vastgesteld dat hij op middellange termijn een reëel perspectief heeft op regulier werk en bijstand ontving.".

Het College heeft op grond van artikel 10, eerste en tweede lid, van de WWB, bezien in samenhang met artikel 4, eerste lid, en artikel 10 van de Reïntegratieverordening de bevoegdheid om belanghebbenden ondersteuning te bieden in de vorm van bemiddeling naar een opstap 1 baan. De bevoegdheid tot het bieden van ondersteuning impliceert tevens de bevoegdheid om eenmaal verleende ondersteuning in de vorm van bemiddeling naar een opstap 1 baan te beëindigen. In de WWB en de Reïntegratieverordening zijn geen bepalingen opgenomen die de bevoegdheid tot beëindiging clausuleren. Ten aanzien van de vraag of het College in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken overweegt de Raad als volgt.

De Raad stelt voorop dat artikel 6, aanhef en onder c en d, van de Reïntegratie-verordening bepaalt dat de belanghebbende verplicht is naar vermogen uitvoering te geven aan de verschillende onderdelen van het traject en na te laten hetgeen de realisatie van het doel van het traject of van de reïntegratie-instrumenten belemmert. De toelichting op artikel 6 van de Reïntegratieverordening vermeldt dat het niet nakomen van de verplichtingen de mogelijkheid geeft om een traject af te breken.

De Raad stelt voorts vast dat bij de toekenning van ondersteuning in de vorm van bemiddeling naar een opstap 1 baan aan appellante is meegedeeld dat zij aan de bemiddeling moet meewerken en dat, als zij dat niet doet, het gevolg kan zijn dat de bemiddeling wordt beëindigd.

Uit de gedingstukken blijkt dat UW appellante bij brieven van 6 augustus 2004, 31 augustus 2004 en 24 september 2004 heeft uitgenodigd voor het opstellen van een intake- en bemiddelingsplan op respectievelijk 10 augustus 2004, 6 september 2004 en 30 september 2004. Appellante heeft aan deze uitnodigingen geen gehoor gegeven. Evenmin heeft zij zich tijdig en onder opgaaf van redenen bij UW afgemeld. Vervolgens heeft het College bij brief van 22 oktober 2004 appellante uitgenodigd voor het opstellen van een intake- en bemiddelingsplan met UW op 29 oktober 2004. In die brief is aan appellante tevens meegedeeld dat dit een laatste uitnodiging betreft en dat, indien zij daaraan geen gehoor geeft, dat wordt beschouwd als een weigering om mee te werken aan het traject en dat dat betekent dat de bemiddeling naar een andere (gesubsidieerde) baan wordt beëindigd. Ook aan deze uitnodiging heeft appellante geen gehoor gegeven en evenmin heeft zij zich tijdig en onder opgaaf van redenen bij UW afgemeld.

Gelet op vorenstaande is appellante tekortgeschoten in de ingevolge artikel 6, aanhef en onder c en d, van de Reintegratieverordening op haar rustende verplichtingen. Het moet appellante, met name gelet op de hiervoor weergegeven mededeling bij de toekenning van ondersteuning in de vorm van bemiddeling naar een opstap 1 baan en gelet op de brief van 22 oktober 2004, redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat het College daarin aanleiding zou kunnen zien de bemiddeling naar een opstap 1 baan te beëindigen. Appellante heeft aangevoerd dat medewerking aan het bemiddelingstraject bij UW-Reïntegratie voor haar bezwaarlijk was omdat het College de door appellante niet onderschreven diagnose op basis waarvan haar bij besluit van 19 juli 2004 ondersteuning in de vorm van bemiddeling naar een opstap 1 baan werd toegekend, heeft doorgestuurd naar UW. Dat rechtvaardigt naar het oordeel van de Raad echter niet om zonder opgaaf van redenen geen gehoor te geven aan vier uitnodigingen voor het opstellen van een intake- en bemiddelingsplan. Ook in hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid tot de beëindiging van de ondersteuning in de vorm van bemiddeling naar een opstap 1 baan heeft kunnen komen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 15 juli 2005 in stand blijven en het verzoek van appellante om veroordeling tot schadevergoeding af te wijzen.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op

€ 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 15 juli 2005;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,-- , te betalen door de gemeente Utrecht;

Bepaalt dat de gemeente Utrecht aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 243,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2007.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.