Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB0713

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2007
Datum publicatie
01-08-2007
Zaaknummer
07-676 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/676 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 december 2006, 05/4304

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 31 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.A. Harff, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2007. Appellant en zijn raadsman zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.K. Dekker.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was werkzaam als steigerbouwer. In 1996 is hij uitgevallen met rugklachten en psychische klachten. Met ingang van 6 mei 1997 is hem een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij beoordelingen nadien op 23 juni 1998 en

11 december 2002 is dit percentage niet gewijzigd.

In het kader van een herbeoordeling van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid is appellant op 23 januari 2004 onderzocht door de verzekeringsarts A. de Cler. Uit zijn rapport van dezelfde datum blijkt dat hij na dossieronderzoek, eigen onderzoek en kennisneming van informatie uit de behandelende sector, tot de conclusie is gekomen dat de medische situatie van appellant was verbeterd ten opzichte van vorig onderzoek en dat appellant in staat kon worden geacht tot normaal functioneren, zij het met beperkingen. Deze beperkingen heeft De Cler vastgelegd in een op 27 januari 2004 gedateerde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).

De arbeidsdeskundige H. Garnier heeft hierna, blijkens zijn rapport van 19 februari 2004, vastgesteld dat het verlies aan verdiencapaciteit 29% bedroeg en dat appellant daarom ingedeeld diende te worden in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%.

Bij besluit van 26 februari 2004 is de WAO-uitkering van appellant met ingang van 24 april 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 26 februari 2004.

De bezwaarverzekeringsarts C.E.M. van Geest is, zoals uit haar rapportage van 23 juni 2004 blijkt, na bestudering van het dossier tot de conclusie gekomen dat er geen medische gronden aangevoerd noch overgelegd zijn op grond waarvan er aanleiding zou zijn de vastgestelde belastbaarheid te herzien. Bij besluit van 1 oktober 2004 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 april 2005, 04/3303, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 1 oktober 2004 gegrond verklaard. De rechtbank heeft dit besluit vernietigd en bepalingen betreffende de vergoeding van proceskosten en griffierecht gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank ontbeerde het besluit met betrekking tot de medische component een voldoende draagkrachtige motivering. Daartoe overwoog de rechtbank dat blijkens de stukken geen wezenlijke verandering was opgetreden in de psychische klachten van appellant. Ook in 2002 stelde het Uwv zich nog op het standpunt dat appellant geen duurzaam benutbare mogelijkheden had. Tevens is uit een door het Uwv ontvangen brief van 15 maart 2004 van appellants maatschappelijk werker gebleken dat er geen verbetering was in de psychische situatie en dat het met appellant sinds december 2003 niet goed ging. Naar het oordeel van de rechtbank was in de rapportage van de verzekeringsarts noch in de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts voldoende toegelicht waarom er per 24 april 2004 wel duurzaam benutbare mogelijkheden werden aangenomen.

Met betrekking tot de arbeidskundige kant van het besluit heeft de rechtbank opgemerkt dat zij het onzorgvuldig achtte dat er bij het besluit niets was gedaan met de opmerkingen van de bezwaararbeidsdeskundige P. de Zeeuw in haar rapportage van 30 juni 2004, inhoudende dat de geschiktheid van de geduide functies nader had moeten worden gemotiveerd. Partijen hebben in deze uitspraak berust.

Naar aanleiding van voormelde uitspraak heeft de bezwaarverzekeringsarts Van Geest op 7 juni 2005 een rapportage uitgebracht. Daarin heeft zij nader toegelicht waarom appellant in januari 2004 niet aan de criteria van de Standaard geen duurzaam benutbare mogelijkheden voldeed. Zij vermeldde dat appellant, omdat nog informatie zou worden opgevraagd bij de huisarts over de psychiatrische behandeling, in 1997 voorlopig werd ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%. De vervolgens verkregen informatie leidde echter niet tot een uitgebreide beoordeling. Het in december 2002 verrichte onderzoek bestond alleen uit dossieronderzoek; appellant is niet voor het spreekuur opgeroepen. Daarentegen is appellant in 2004 door de verzekeringsarts gezien en is er informatie opgevraagd bij zijn behandelaar.

De arbeidsdeskundige Garnier heeft in zijn rapportage van 7 januari 2005 een nadere toelichting gegeven op de geschiktheid van de geduide functies.

Bij besluit van 11 augustus 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv, onder verwijzing naar genoemde rapportages van 7 januari en 7 juni 2005, het beroep opnieuw ongegrond verklaard.

Bij de thans aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft in hoger beroep zijn eerder aangedragen grieven herhaald. Hij blijft op het standpunt staan dat het Uwv met de door de rechtbank in haar uitspraak van 15 april 2005 geconstateerde gebreken in het besluit van 1 oktober 2004, niets heeft gedaan. Gelet op de in geding gebrachte medische rapportages, waaronder een brief van professor K.J. Breukhoven van 19 januari 2006 met betrekking tot recidiverende rugklachten en rechterarmklachten, had geconcludeerd moeten worden dat appellant per 24 april 2004 volledig arbeidsongeschikt te achten was.

In geding is de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

De Raad heeft geen aanleiding gezien om met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank en onderschrijft de overwegingen die de rechtbank dienaangaande heeft gegeven. Met de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Van Geest van 7 juni 2005 is voldoende toereikend gemotiveerd waarom er, in tegenstelling tot de situatie zoals die zich voordeed tijdens de eerdere beoordelingen in 1998 en 2002, ten tijde van de datum in geding wel sprake was van duurzaam benutbare mogelijkheden. Ook is voldoende aangegeven waarom de in beroep overgelegde informatie van professor Breukhoven geen indicaties voor een ander oordeel bevatten. Uit die informatie kan ook naar het oordeel van de Raad niet afgeleid worden dat op 24 april 2004 de beschreven recidiverende rugklachten reeds bestonden. Bovendien is gebleken dat er bij het vaststellen van de FML voldoende rekening is gehouden met de verminderde belastbaarheid van de rug.

Ook ten aanzien van de arbeidskundige grondslag is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het Uwv met de rapportage van arbeidsdeskundige H. Garnier van 7 januari 2005, mede gelet op de rapportage van bezwaararbeidsdeskundige

B.H.M. Bootsma van 4 januari 2006, genoegzaam de geschiktheid van de geduide functies heeft aangetoond.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en H.G. Rottier en B. Barentsen als leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2007.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.