Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB0688

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-07-2007
Datum publicatie
02-08-2007
Zaaknummer
05/485 + 07/2170 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Nader besluit. Wettelijke rente.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/485 + 07/2170 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 december 2004, 03/1724 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.M.T. van Diepen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2007. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde mr. Van Diepen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele-Timmermans.

Het onderzoek ter zitting is geschorst tot een nader te bepalen datum.

Bij schrijven van 27 februari 2007 heeft het Uwv een nieuw besluit op bezwaar van gelijke datum ingezonden.

Bij brief van 16 maart 2007 heeft appellante een inlichting verstrekt en bericht dat het besluit op bezwaar van 27 februari 2007 niet volledig aan haar bezwaren tegemoet komt.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 15 juni 2007, waar appellante, met kennisgeving, niet is verschenen en waar het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door

E.M.C. Beijen.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is op 5 januari 1999, terwijl zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, in verband met psychische klachten uitgevallen. Na ommekomst van de wettelijke wachttijd van 52 weken is aan haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij op bezwaar genomen besluit van

5 maart 2003 (besluit I) heeft het Uwv de intrekking van die uitkering per

29 augustus 2002 gehandhaafd, op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per die datum minder dan 15% bedroeg.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat het aan deze intrekking ten grondslag liggende medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest om tot een afgewogen oordeel omtrent de voor appellante geldende beperkingen te kunnen komen.

Ten aanzien van de arbeidskundige aspecten heeft de rechtbank geoordeeld dat de eerst in beroep overgelegde rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige een toereikende motivering en toelichting bevatten waarom de door de arbeidsdeskundige geduide functies passend zijn voor appellante. Om die reden heeft de rechtbank het inleidend beroep gegrond verklaard, besluit I vernietigd en met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten.

In hoger beroep heeft appellante betwist dat in de primaire fase van de besluitvorming sprake is geweest van onderzoek door een geregistreerd verzekeringsarts, heeft zij gewezen op tegenstrijdigheden in het onderzoek van deze arts, en geconcludeerd dat het medisch oordeel inhoudelijk niet juist is. In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts om die reden niet mogen volstaan met dossieronderzoek. Ook de arbeidskundige grondslag van de schatting heeft appellante bestreden.

Bij verweerschrift heeft het Uwv zijn standpunt, onder inzending van een rapport van

11 maart 2005 van de bezwaarverzekeringsarts A.M.M. Moons, gehandhaafd.

Ter zitting van de Raad van 2 februari 2007 heeft het Uwv meegedeeld dat de bezwaararbeidsdeskundige H. Janssen al bij rapport van 27 april 2005 (welk rapport ter zitting is overgelegd) tot de conclusie was gekomen dat bij nader inzien de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per de datum in geding 15 tot 25% bedroeg en dat abusievelijk dit rapport niet aan de Raad was toegezonden en ook niet had geleid tot nadere besluitvorming. Hierin heeft de Raad aanleiding gezien het onderzoek ter zitting te schorsen om het Uwv in de gelegenheid te stellen zich nader te beraden over de gevolgen die aan dit rapport voor de besluitvorming dienden te worden verbonden. Tevens is het Uwv verzocht onderzoek te doen naar de vraag of de arts A. Sahebali, die het medisch onderzoek in de primaire fase had verricht, een geregistreerd verzekeringsarts is. Appellantes gemachtigde is verzocht nader aan te geven op welk moment aan appellante anti-depressiva zijn voorgeschreven.

Bij het in rubriek I vermelde besluit op bezwaar van 27 februari 2007 heeft het Uwv alsnog besloten het bezwaar van appellante tegen de intrekking van haar WAO-uitkering gegrond te verklaren en deze uitkering per 29 augustus 2002 te herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Met dit besluit (hier verder: besluit II) is wijziging gebracht in besluit I. Nu besluit II niet geheel aan appellantes beroep tegemoet komt, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen dat besluit.

Het belang van appellante bij beoordeling van het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak is hierdoor niet komen te ontvallen, nu appellante ter zitting van 2 februari 2007 haar in eerste aanleg reeds gedane verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over de aan haar na te betalen uitkering heeft herhaald.

De Raad overweegt dat door het bij besluit II door het Uwv ingenomen standpunt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per de datum in geding 15 tot 25% bedraagt, de rechtsgevolgen van besluit I, inhoudende intrekking van de WAO-uitkering per die datum, niet in stand kunnen worden gelaten. In zoverre komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging is aanmerking.

De grieven van appellante bespreekt de Raad verder in het kader van het tegen besluit II gericht geachte beroep.

Bij schrijven van 27 februari 2007 heeft het Uwv bericht dat de arts A. Sahebali is geregistreerd als specialist arts voor arbeid en gezondheid hoofdstroom verzekeringsgeneeskunde en als zodanig onder nummer 89023647701 is ingeschreven. Een uittreksel uit het BIG-register betreffende deze arts is ter zitting overgelegd. Van de zijde van appellante is hierop niet meer inhoudelijk gereageerd. Op basis van de verstrekte gegevens acht de Raad, mede gelet op de omstandigheid dat in alle van de arts Sahebali vanaf 1999 zich onder de gedingstukken bevindende rapporten hij als verzekeringsarts wordt aangemerkt, voldoende aannemelijk dat het onderzoek in de primaire fase door een geregistreerd verzekeringsarts is verricht en behoeft het betoog van appellante, gebaseerd op de veronderstelling dat dit niet het geval was, geen bespreking.

De klacht dat de bezwaarverzekeringsarts niet met dossieronderzoek mag volstaan verwerpt de Raad met verwijzing naar zijn vaste rechtspraak dat de enkele omstandigheid dat sprake is van alleen dossieronderzoek op zichzelf genomen nog niet hoeft te betekenen dat geen sprake is van een zorgvuldige medische heroverweging.

Ook in de omstandigheden van dit geval ziet de Raad geen noodzaak voor een verdergaand onderzoek. Daarbij wijst de Raad erop dat de primaire verzekeringsarts Sahebali blijkens zijn zich onder de gedingstukken bevindende rapporten appellante in het kader van (her)beoordelingen van de mate van haar arbeidsongeschiktheid herhaaldelijk heeft gezien en onderzocht, dat hij ervan op de hoogte was dat zij vanaf mei 1999 bij de psychiater B.J.M. Fransen te St. Oedenrode bekend was en dat hij telkenmale, laatstelijk in zijn aan de schatting per 29 augustus 2002 ten grondslag liggende rapport van 5 februari 2002, de medicatie van appellante heeft uitgevraagd en genoteerd. Hieruit blijkt niet, anders dan in de bezwaarfase op de hoorzitting door appellante is vermeld, dat haar antidepressiva zijn voorgeschreven. Desgevraagd heeft appellantes gemachtigde bij brief van 16 maart 2007 bericht niet te kunnen aangeven vanaf wanneer appellante antidepressiva dient te gebruiken. Hoewel de Raad zich realiseert dat tussen het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 5 februari 2002 en de datum in geding circa zes maanden zijn verlopen en dat derhalve niet valt uit te sluiten dat de medische situatie die de verzekeringsarts Sahebali in zijn rapport heeft beschreven sedertdien is verslechterd, kan er niet aan worden voorbijgegaan dat eerst tijdens de hoorzitting van 23 oktober 2002 door appellante melding is gemaakt van het gebruik van een antidepressivum (paroxetine). Nu het op appellantes weg ligt om de onzekerheid wanneer dit antidepressivum voor het eerst aan haar is voorgeschreven, weg te nemen en zij daarin niet is geslaagd, moeten de gevolgen van die onzekerheid met betrekking tot het gebruik ten tijde hier in geding in dit geval voor haar rekening blijven.

De door appellante opgeworpen vraag of het gebruik van antidepressiva wijst op een slechtere medische situatie dan de verzekeringsarts Sahebali en de betrokken bezwaarverzekeringsartsen hebben aangenomen, behoeft gelet hierop met betrekking tot de datum in geding geen beantwoording.

In het voorgaande ligt tevens besloten dat niet gezegd kan worden dat de betrokken bezwaarverzekeringsartsen niet met dossierstudie hebben kunnen volstaan.

De Raad is, het hiervoor overwogene in aanmerking nemend, van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat de arbeidsongeschiktheidsschatting per 29 augustus 2002 niet berust op zorgvuldig medisch onderzoek of dat de medische besluitvorming ondeugdelijk is gemotiveerd.

De arbeidskundige grondslag van de schatting, zoals deze nader is gemotiveerd bij rapport van 27 april 2005 van de bezwaararbeidsdeskundige Janssen en uitmondend in het in het bestreden besluit II neergelegde standpunt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per de datum in geding 15 tot 25% bedraagt, onderschrijft de Raad.

Het tegen besluit II gerichte beroep moet mitsdien ongegrond worden verklaard.

De Raad overweegt dat uit het vorenstaande volgt dat het Uwv nalatig is gebleven uitkering te betalen vanaf 29 augustus 2002. Uit 's Raads uitspraak van 1 november 1995, gepubliceerd in JB 1995/314, volgt dat de eerste dag waarop het Uwv in casu over het bedrag van de niet betaalbaar gestelde bruto-uitkering wettelijke rente verschuldigd is, gesteld moet worden op 1 september 2002, alsook dat deze rente verschuldigd is tot aan de dag der algehele voldoening toe. Daarbij geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. Voorts overweegt de Raad dat bij de berekening van de wettelijke rente, als vorenbedoeld, rekening dient te worden gehouden met hetgeen appellante krachtens een sociale zekerheidswet over hetzelfde tijdvak als waarop de nabetaling van de uitkering betrekking heeft, bruto heeft moeten verrekenen of aan derden bruto heeft moeten uitbetalen. De Raad zoekt daarbij aansluiting bij hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 22 september 1995, gepubliceerd in JB 1995/275.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 805,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van besluit I in stand zijn gelaten;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Verklaart het tegen besluit II gericht geachte beroep ongegrond;

Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van schade als hiervoor is aangegeven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 805,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 102,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in openbaar op 27 juli 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.