Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB0629

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-07-2007
Datum publicatie
30-07-2007
Zaaknummer
06-5830 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om vergoeding van de niet door de ziektekostenverzekering gedekte kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/5830 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante)

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 12 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 31 augustus 2006, kenmerk JZ/M70/2006, ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2007. Aldaar is appellante in persoon verschenen, bijgestaan door mr. drs. C. Lamphen, advocaat te Utrecht, als haar raadsvrouwe. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, geboren op 6 oktober 1966, is bij op bezwaar genomen besluit van verweerster van 13 juni 1995 met toepassing van artikel 3, tweede lid (oud), van de Wet met de vervolgde gelijkgesteld. Verweerster heeft daarbij overwogen dat het niet toepassen van de Wet in het geval van appellante een klaarblijkelijke hardheid zou zijn omdat bij haar psychische klachten aanwezig zijn die in overwegende mate verband houden met de vervolging van haar vader en de bij hem aanwezige vervolgingsgevolgen. Aan appellante zijn in verband met deze psychische klachten een periodieke uitkering en diverse voorzieningen toegekend. Voorts is aan appellante door verweerster een vergoeding toegekend voor een eenmalige gebitsrehabilitatie op de grond dat haar gebitsklachten deels zijn ontstaan door haar met de vervolging van haar vader samenhangende psychische klachten.

In september 2005 heeft appellante bij verweerster een aanvraag ingediend om vergoe-ding van de niet door haar ziektekostenverzekering gedekte kosten van corrigerende operaties aan buik en borsten, die nodig waren ten gevolge van gewichtsverlies na extreem overgewicht. Deze aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 1 februari 2006, zoals na gemaakt bezwaar bij het thans bestreden besluit gehandhaafd, op de grond dat er tussen de bij appellante bestaande status na overgewicht en de vervolging van haar vader geen verband is te leggen.

Appellante kan zich met dit standpunt van verweerster niet verenigen. Zij heeft daarbij primair doen aanvoeren dat haar gewicht in een periode van ernstige depressie door zelfverwaarlozing en slecht eten aanzienlijk is toegenomen. Om die reden had verweerster naar het oordeel van appellante een verband met haar causale psychische klachten moeten aanvaarden, evenals dat in het verleden met de gebitsklachten van appellante is gebeurd.

De Raad overweegt als volgt.

Verweerster heeft haar standpunt gebaseerd op de adviezen van haar geneeskundig adviseurs. Deze hebben op basis van informatie verkregen uit de behandelende sector het standpunt ingenomen dat het bij appellante aanwezige overgewicht niet met de vervolgingsgevolgen van haar vader in verband is te brengen. Hierbij is aanvaard dat in het geval van appellante overgewicht weliswaar beïnvloed wordt door psychische klachten, maar niet hierdoor veroorzaakt wordt. Hierbij acht verweerster bepalend dat bij appellante nimmer een psychiatrische eetstoornis is vastgesteld.

De Raad heeft in de gedingstukken van medische aard geen aanknopingspunten gevonden om aan de juistheid van verweersters standpunt te twijfelen. Hij overweegt daartoe dat naar blijkt uit de omtrent appellante voorhanden psychiatrische informatie bij haar nooit een compulsieve eetstoornis is vastgesteld. Hij overweegt voorts nog dat uit de geding-stukken naar voren komt dat appellante reeds in haar vroege jeugd leed aan overgewicht, toen bij haar de met de vervolging van haar vader samenhangende psychische klachten nog niet tot uiting waren gekomen. Zo komt bijvoorbeeld uit het ten behoeve van haar initiële aanvraag opgemaakte sociaal rapport naar voren dat zij als kind al te zwaar was en er op de lagere school mee werd gepest. Zo blijkt voorts uit de medische stukken dat dit overgewicht zich gedurende de rest van haar leven heeft voortgezet en aanzienlijk is verergerd tijdens een depressieve periode. Onder deze omstandigheden heeft verweersters geneeskundig adviseur naar het oordeel van de Raad op goede gronden niet aanvaard dat het overgewicht van appellante door de psychische klachten is ontstaan. In zoverre is een vergelijking met de gebitsklachten van appellante niet te leggen, nu deze gebitsklachten blijkens de medische stukken wel (deels) zijn veroorzaakt door de bij haar aanwezige psychische klachten (angst voor de tandarts, bruxisme, droge mond, veelvuldig overgeven).

Namens appellante is nog bepleit om de tijdens haar depressieve periode opgetreden excessieve toename van het gewicht op zichzelf als causaal te aanvaarden en haar om die reden de gevraagde vergoeding toe te kennen. De Raad kan appellante in deze opvatting niet volgen. Bepalend in dit verband oordeelt de Raad niet de toename van het overge-wicht maar de oorzaak van de aandoening en uit het voorgaande volgt dat de Raad voldoende onderbouwing aanwezig acht voor verweersters standpunt dat het overgewicht op zich niet is veroorzaakt door de met de vervolgingsgevolgen van appellantes vader samenhangende psychische klachten.

Het voorgaande betekent dat het beroep van appellante ongegrond verklaard moet worden.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en P.J. Stolk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2007.

(get.) H.R. Geerling-Brouwer.

(get.) J.P. Schieveen.

HD

15.06