Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB0575

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-07-2007
Datum publicatie
30-07-2007
Zaaknummer
05-3493 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Voldoende passende functies?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/3493 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 19 april 2005, 04/790 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A.N.H. Verkoeijen, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2007. Voor appellant is verschenen mr. Verkoeijen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

W.J.M.H. Lagerwaard.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was laatstelijk werkzaam als algemeen medewerker in de technische dienst bij [BV] te [vestigingsplaats]. Hij was daar bekend met een hoog ziekteverzuim vanwege onder meer chronisch-recidiverende lage rugklachten met uitstraling in het linkerbeen. Appellant bereikte op 4 december 2003 de, samengestelde, wachttijd in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Het Uwv weigerde bij besluit van 24 februari 2004 appellant met ingang van 5 december 2003 een WAO-uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO zou zijn. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit verklaarde het Uwv ongegrond bij besluit van 25 mei 2004. In de beroepsfase nam het Uwv op 12 augustus 2004 een nieuw besluit op het bezwaar van appellant, waarbij het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaarde en hem met ingang 5 december 2003 een WAO-uitkering toekende, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 25 mei 2004 niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit van 12 augustus 2004 (bestreden besluit) ongegrond.

In hoger beroep, dat zich alleen richt tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit, heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid met indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25% juist heeft gewaardeerd. Appellant is van mening dat hij met zijn medische klachten niet in staat is tot het verrichten van de geselecteerde functies, dat hem geen verwijt kan worden gemaakt van het feit dat hij zich niet laat opereren en dat het Uwv zijn psychische klachten heeft onderschat. Bovendien stelt hij dat het vanwege zijn medicijngebruik voor zijn psychische klachten onverantwoord is hem met machines te laten werken.

De Raad overweegt als volgt.

De rechtbank is in de aangevallen uitspraak gemotiveerd tot de conclusie gekomen dat het bestreden besluit op een toereikende medische grondslag berust. De Raad kan zich vinden in deze conclusie en de daaraan ten grondslag liggende motivering en verenigt zich daar mee.

In hoger beroep heeft appellant nog diverse medische stukken in geding gebracht. Met bezwaarverzekeringsarts P. Tjen is de Raad van oordeel dat de in geding gebrachte medische stukken, met uitzondering van de brief van de Riagg van 8 april 2004, reeds bekend zijn, dan wel geen betrekking hebben op de medische situatie ten tijde in dit geding van belang. In genoemde brief van de Riagg staat vermeld dat de psychische klachten al langer bestonden. Tjen heeft, naar het oordeel van de Raad, op goede gronden aangenomen dat deze opmerking niets zegt over het bestaan van een psychopathologisch toestandsbeeld met daaraan te koppelen beperkingen in het functioneren op de datum in geding, zijnde 5 december 2003. Evenals Tjen stelt de Raad vast dat uit alle andere medische gegevens in het dossier, zoals de gegevens van de arbodienst, de bevindingen van de primaire verzekeringsarts en de gegevens van de behandelend sector, evenmin is af te leiden dat de door appellant gemelde psychische klachten voor 5 december 2003 al tot een dergelijke klinische situatie geleid zouden hebben.

Met betrekking tot de vraag of de aan de schatting ten grondslag gelegde functies passen binnen de belastbaarheid van appellant overweegt de Raad het volgende.

Aan de schatting zijn uiteindelijk vier verschillende functies in drie Sbc-codes ten grondslag gelegd. In één van die functies, de monteur transformatoren met functienummer 3621-0051-002, komt torderen voor met een frequentie van 30 keer per uur, waarvan 15 keer ongeveer 60 graden en 15 keer ongeveer 45 graden. Uit de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) in combinatie met het rapport van de verzekeringsarts van 20 februari 2004 en de brief van het Uwv van 8 oktober 2004 kan worden opgemaakt dat appellant in staat is om tot 45 graden te torderen. In zijn rapport van 20 september 2004 heeft de bezwaararbeidsdeskundige met betrekking tot de vraag of de belasting op dit aspect de belastbaarheid van appellant niet te boven gaat het volgende opgenomen:

“M.b.t. het torderen in de functie monteur transformatoren is door de analist de volgende toelichting gegeven:

Ik heb een en ander bestudeerd. Het volgende is het geval.

Ik heb de betreffende functie overgenomen van Kim Broeyer, die medio vorig jaar vertrokken is. Ik heb het bedrijf begin dit jaar (17 februari) bezocht en de functie geherenquêteerd en aangepast. Dat is uiteraard gebeurd op basis van mijn eigen waarneming en bevindingen. In de actuele (“mijn”) versie van de functie vind je bij kortcyclisch torderen een score van 30 graden, 60 keer per uur, 8 uur per dag. Dat betekent dat ik de score ten opzichte van de eerdere versie (van Kim Broeyer) behoorlijk aangepast heb.

Ik heb gezien dat de betreffende medewerker aan een werktafel zit met de te monteren componenten op diezefde tafel, beetje links, beetje rechts, terwijl het eigenlijke monteren zoveel mogelijk recht voor de neus gebeurt (zoals je het zelf ook zou doen). Er staan ook onderdelen in bakken direct naast de werkplek, en de gerede producten worden ook in dergelijke bakken gelegd. Ik vind mijn score voor torderen (uiteraard) een goede schatting. Voor alle duidelijkheid, het werk word zittend uitgevoerd.

Het probleem is natuurlijk dat ik niet kan oordelen over wat ex-collega Broeyer heeft waargenomen en geïnterpreteerd. Ik heb geen reden aan te nemen dat de omstandigheden en werkzaamheden veranderd zijn, maar zeker weten doe ik dat niet. Ik kan alleen maar afgaan op hetgeen zij beschreven heeft. Ik weet ook niet of er indertijd een draaistoel was of niet. Ik ben het wel met je eens dat zittend 60 graden torderen een behoorlijke belasting is. Ik zou me – gezien de lage frequentie – kunnen voorstellen dat het gescoord is voor het in een bak leggen van een gereed product, schuin achter de medewerker. Maar als er sprake was van een draaistoel (wat ik dus niet weet) vind ik doe score erg hoog. Het is maar een overpeinzing, je kunt er verder niks mee denk ik. Ik hoop dat ik je toch een beetje heb kunnen helpen, maar – nogmaals – ik kan eigenlijk alleen iets zeggen over mijn eigen versie.

Nadere overwegingen:

In deze functie is aangegeven dat er tot 60 graden getordeerd moet worden. Gezien de aard van het werk had ik op basis van mijn eigen kennis van dergelijk werk sterke twijfels omtrent de juistheid van die score. Ik betwijfelde sterk dat er zich zo’n grote tordeerbelasting voordoet in die functie. Dit was mede aanleiding een nadere toelichting te vragen aan de betreffende analist. Deze analist is echter niet meer in functie.

De bovenstaande reactie (die ik gekregen heb van de analist Harry Lutjeboer die deze zaak van de voorganger heeft overgenomen) bevestigt min of meer de gegrondheid van mijn twijfels. Uit zijn analyse blijkt dat de tordeerbelasting in deze functie gering is en tot 30 graden gaat. Mijn overtuiging is dat die tordeerbelasting voorheen niet wezenlijk anders was. Daarenboven kan gesteld worden dat als die tordeerbelasting destijds wel zo groot zou zijn geweest, dit mede gezien de geringe frequentie waarin zich dat voordeed, goed te ondervangen zou zijn door een draaistoel te gebruiken of door bij die handeling even van de stoel op te staan.

Conclusie:

Op basis van bovenstaande overwegingen geeft het bezwaar geen aanleiding de functie monteur transformatoren ongeschikt te achten.”

In zijn uitspraak van 8 augustus 2006 (LJN: AY6390) heeft de Raad overwogen geen aanleiding te zien om ten aanzien van de in het CBBS opgenomen gegevens een ander uitgangspunt te hanteren dan met betrekking tot in het FIS opgenomen gegevens, namelijk dat in beginsel van de juistheid van de aan dat systeem ontleende gegevens dient te worden uitgegaan. Zulks laat onverlet dat het het bestuursorgaan vrij staat om voldoende gemotiveerd en gedocumenteerd de onjuistheid van de in het CBBS vermelde gegevens aan te tonen.

De enkele overtuiging van de bezwaararbeidsdeskundige dat de tordeerbelasting, zoals die ten tijde in dit geding van belang is vastgelegd in het CBBS, niet juist is, voldoet niet om gemotiveerd en gedocumenteerd de onjuistheid van de in het CBBS vermelde gegevens aan te tonen. Zeker niet indien daarbij de toelichting van de arbeidsdeskundige-analist wordt betrokken. Aan de opmerking van de bezwaararbeidsdeskundige dat het probleem te ondervangen zou zijn door gebruik van een draaistoel of door even van de stoel op te staan hecht de Raad geen waarde, gelet op de eerdergenoemde toelichting van de arbeidsdeskundige-analist.

De Raad concludeert dat de functie monteur transformatoren niet aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd. De inhoud van het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 24 april 2007 kan aan deze conclusie niet afdoen. Dit betekent dat in Sbc-code 111180 nog één functie met drie arbeidsplaatsen overblijft, zodat die Sbc-code in zin totaliteit gelet op artikel 9, aanhef en onder b, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten buiten beschouwing moet blijven. Dan resteren er nog slechts functies in twee Sbc-codes en dat is te weinig om een schatting op te kunnen baseren. Het hoger beroep slaagt.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 966,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal

€ 1.610,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.610,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C. Bruning en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. van der Wal.