Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB0564

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-07-2007
Datum publicatie
27-07-2007
Zaaknummer
06/3753 WWB + 06/3777 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opschorting en intrekking bijstand. Niet tijdig vertrekken van gegevens over erfenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 277

Uitspraak

06/3753 WWB

06/3777 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 29 mei 2006, 05/4945 en 05/5301 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend (hierna: College)

Datum uitspraak: 17 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Hierop heeft appellant gereageerd bij brief van 21 maart 2007.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2007. Appellant is in persoon verschenen. Voor het College zijn verschenen mr. L.A. Teusink en mr. K. Mol, werkzaam bij de gemeente Purmerend.

II. OVERWEGINGEN

Aan appellant is met ingang van 24 augustus 1987 bijstand verleend, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

Bij brief van 25 augustus 2004 is appellant uitgenodigd voor een gesprek bij de gemeentelijke sociale dienst omdat was gebleken dat het saldo van een op zijn naam staande rekening bij de ABN AMRO bank € 7.000,-- bedroeg. Naar aanleiding hiervan heeft appellant de sociale dienst afschriften doen toekomen van deze rekening. Naar stelling van appellant behoorde de rekening toe aan zijn op 11 juni 2002 overleden vader. Verder onderzoek wees uit dat appellant ook in het bezit was van een op zijn naam staande auto. Ook deze auto behoorde naar stelling van appellant toe aan zijn vader.

Bij besluit van 3 februari 2005 heeft het College het recht op bijstand van appellant met ingang van 2 februari 2005 opgeschort. Daarbij het College appellant verzocht om voor 16 februari 2005 gegevens omtrent de nalatenschap van zijn vader, het aankoopbewijs van voormelde auto en bankafschriften van de ABN AMRO-rekening vanaf het moment dat deze rekening in gebruik is genomen, te overleggen. Bij brief van 11 maart 2005 is appellant verzocht de nog ontbrekende gegevens, te weten de gegevens omtrent de nalatenschap en de bankafschriften, voor 18 maart 2005 te overleggen. Gegevens omtrent de auto waren inmiddels in het bezit van de gemeente.

Bij besluit van 24 maart 2005 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 1 februari 2005 ingetrokken op de grond dat appellant geen gegevens omtrent de nalatenschap van zijn vader heeft overgelegd.

Bij besluit van 29 juli 2005 heeft het College de aan appellant verleende bijstand over de periode 30 november 1999 tot en met 31 januari 2005 ingetrokken op de grond dat vanaf 30 november 1999 met regelmaat grote bedragen zijn gestort op de ABN AMRO-rekening en dat appellant sedert 19 november 2001 in het bezit is van een auto waarvan de aanschafwaarde € 20.420,11 bedroeg. Hierover heeft appellant in de betrokken periode geen opgave gedaan. Evenmin heeft appellant opgave gedaan van het ontvangen van een erfenis. Aldus heeft appellant naar de mening van het College niet voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting. Bij het besluit van 29 juli 2005 heeft het College tevens de gemaakte kosten van bijstand over de periode 30 november 1999 tot en met 31 januari 2005 van appellant teruggevorderd.

Bij besluit van 8 augustus 2005 heeft het College de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 3 februari 2005 en 24 maart 2005 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 21 september 2005 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 juli 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 8 augustus 2005 ongegrond verklaard, het beroep van appellant tegen het besluit van 21 september 2005 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven en gelast dat de gemeente het door appellant betaalde griffierecht ten bedrage van € 37,-- vergoedt.

Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover zijn beroep tegen het besluit van 8 augustus 2005 ongegrond is verklaard en voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 21 september 2005 in stand zijn gelaten.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In artikel 54, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het College het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken kan opschorten

a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of

b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.

Het tweede lid van artikel 54 van de WWB bepaalt dat het college mededeling doet van de opschorting aan belanghebbende en hem uitnodigt binnen een door het college te stellen termijn het verzuim te herstellen.

Op grond van artikel 54, derde lid, van de WWB kan, onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en terzake van weigering van bijstand, het college een dergelijk besluit herzien of intrekken indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Ingevolge artikel 54, vierde lid, van de WWB kan het college, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort intrekken.

Met betrekking tot de opschorting van appellants recht op bijstand overweegt de Raad dat het geen twijfel lijdt dat een erfenis van belang is voor het recht op bijstand. Van appellant mocht dan ook verlangd worden dat hij gegevens omtrent de nalatenschap van zijn vader verstrekte. Nu appellant deze gegevens niet had vertrekt, was het College bevoegd het recht op bijstand van appellant op te schorten. Naar het oordeel van de Raad heeft het College in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kunnen maken.

Met betrekking tot de intrekking van de aan appellant verleende bijstand per 1 februari 2005 overweegt de Raad dat bij de beantwoording van de vraag of het College op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd is tot intrekking van de aan een belanghebbende verleende bijstand, ter beoordeling staat of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet meer van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de belanghebbende niet binnen de gestelde termijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

Vast staat dat appellant de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens omtrent de nalatenschap van zijn vader niet heeft overgelegd. Evenmin heeft appellant anderszins een verifieerbare verklaring gegeven omtrent de afwikkeling van deze nalatenschap. Zoals de Raad hiervoor heeft overwogen is een erfenis van belang voor de vaststelling van het recht op bijstand. Uitgaande van appellants verklaringen met betrekking tot de ABN AMRO-rekening en de op 19 november 1999 aangeschafte auto, moet de vader van appellant over middelen hebben beschikt. Appellant valt aan te rekenen dat hij geen inzicht heeft verschaft in de wijze waarop de nalatenschap is afgewikkeld. De Raad is dan ook van oordeel dat het College bevoegd was de bijstand van appellant in te trekken. Niet valt in te zien waarom het College in redelijkheid geen gebruik van zijn bevoegdheid heeft kunnen maken.

Met betrekking tot de intrekking van de aan appellant verleende bijstand over de periode 30 november 1999 tot en met 31 januari 2005 overweegt de Raad dat het feit dat een bankrekening op naam van een bijstandontvanger een tegoed bevat, de vooronderstelling rechtvaardigt dat dit tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij de beschikking heeft dan wel redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan betrokkene om in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is. Dit heeft evenzeer te gelden met betrekking tot een op naam van een bijstandontvanger staande auto. Naar het oordeel van de Raad is appellant er niet in geslaagd het tegendeel aan te tonen. Zijn stelling dat de tegoeden op de bankrekening en de auto zijn vader toebehoorden, heeft hij niet met bewijzen gestaafd.

Gelet op de hoogte van de saldi op de bankrekening en op de waarde van de auto, moet het ervoor worden gehouden dat er in de betrokken periode tijdvakken zijn aan te wijzen waarin appellant beschikte over een vermogen dat meer bedroeg dan het vrij te laten vermogen, en dat, nu appellant geen inzicht heeft verschaft in de herkomst, aard en strekking van de kasstortingen, het recht op bijstand over de resterende tijdvakken niet valt vast te stellen. Nu appellant voorts in de periode 30 november 1999 tot en met 31 januari 2005 geen melding heeft gemaakt van de ABN AMRO-rekening en de aanschaf van de auto, moet worden vastgesteld dat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Het College was dan ook bevoegd de aan appellant verleende bijstand over deze periode in te trekken en in het verlengde daarvan de in die periode gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen.

Terzake voert het College het beleid dat in beginsel tot intrekking en terugvordering wordt overgegaan tenzij er dringende redenen zijn om daarvan geheel of gedeeltelijk af te zien. Naar het oordeel van de Raad gaat dit beleid, althans voor zover het betreft de intrekking en de terugvordering die - zoals in dit geval - het gevolg zijn van schending van de inlichtingenverplichting door betrokkene, de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het College niet in overeenstemming met zijn beleid tot volledige intrekking en terugvordering over meergenoemde periode heeft besloten en evenmin dat het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, in afwijking van het beleid geheel of gedeeltelijk daarvan had moeten afzien.

De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad overweegt tot slot dat hij geen termen aanwezig acht voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2007.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) D. Olthof.

PR/180707