Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB0560

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-07-2007
Datum publicatie
30-07-2007
Zaaknummer
06/3547 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Vermogen boven vermogensgrens? Waardebepaling. Motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 320

Uitspraak

06/3547 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 1 mei 2006, 05/1363 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad (hierna: College)

Datum uitspraak: 24 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Schaap, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M. Wiersma, kantoorgenoot van mr. Schaap en door de tolk

A. Koffrie. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.H. Arnold, werkzaam bij de gemeente Zaanstad.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant en zijn echtgenote ontvingen sedert 1 december 1988 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellant een paar keer per jaar voor meerdere maanden op vakantie naar Turkije gaat en daar over een woning en grond beschikt, heeft het College het CWS/Bureau Buitenland verzocht een onderzoek in te stellen naar het vermogen van appellant in Turkije. In verband daarmee heeft het Bureau Attaché voor Sociale zaken van de Nederlandse ambassade te Ankara (hierna: ambassade) een onderzoek verricht. De bevindingen daarvan zijn neergelegd in een rapport van 3 maart 2004. De conclusie van dat rapport is dat appellant beschikt over onroerende zaken en een auto in Turkije met een waarde van € 44.087,--. Vervolgens heeft de sociale recherche van de gemeente Zaanstad een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant en zijn echtgenote verleende bijstand, in welk kader appellant is gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn eveneens neergelegd in een rapport.

De resultaten van het onderzoek waren voor het College aanleiding om bij besluit van 8 november 2004 met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de aan appellant en zijn echtgenote verleende bijstand met ingang van

1 november 2004 te beëindigen (lees: in te trekken) op de grond dat appellant beschikt over een vermogen dat hoger is dan het voor appellant en zijn echtgenote vrij te laten vermogen.

Bij besluit van 22 februari 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van

8 november 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

22 februari 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad gaat er, gelet op de gedingstukken, van uit dat appellant ten tijde hier van belang (de periode van 1 november 2004 tot en met 8 november 2004) eigenaar was van een huis met erf, een tuin en twee percelen landbouwgrond in [G.] (Turkije) en daar ook over een auto beschikte. Appellant heeft van de hier bedoelde eigendommen aan het College geen melding gemaakt. Het gaat om gegevens die onmiskenbaar van belang kunnen zijn voor de verlening en de voortzetting van de bijstand. Appellant heeft dan ook de ingevolge de bijstandswetgeving op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden.

De Raad is, anders dan het College en de rechtbank, van oordeel dat de rapportage van de ambassade van 3 maart 2004 en de daarbij behorende bijlagen onvoldoende aanknopingspunten bieden om vast te stellen welke waarde de eigendommen van appellant in Turkije ten tijde hier van belang vertegenwoordigden. De Raad acht daarbij met name van belang dat dat rapport onvoldoende inzicht biedt in de wijze waarop de waarde van de betreffende goederen is bepaald. Zo blijkt uit de op 26 februari 2004 gedateerde verklaring van de door de ambassade geraadpleegde burgemeester van [G.] inzake de dagwaarde van de woning, de tuinen en de akkers van appellant niet dat zij door een deskundige is afgelegd. Voorts biedt de verklaring geen inzicht in de wijze waarop de waarde van de betreffende onroerende zaken is vastgesteld en ziet zij op een tijdstip dat ruim negen maanden vóór de in dit geding van belang zijnde periode is gelegen.

Ook hetgeen appellant in geding heeft gebracht acht de Raad onvoldoende om de waarde van de eigendommen van appellant in Turkije gedurende de hier van belang zijnde periode te bepalen. De door appellant in bezwaar overgelegde verklaringen van architect [A.] van 27 december 2004 inzake de waarde van het huis, de tuin en de akkers van appellant in [G.] bieden onvoldoende duidelijkheid. Ook hieruit is niet af te leiden dat het gaat om verklaringen van een deskundige, terwijl evenmin inzichtelijk is gemaakt hoe de waarde van de betreffende onroerende zaken is vastgesteld. De Raad tekent daarbij nog aan dat de gemachtigde van appellant ter zitting van de Raad heeft opgemerkt dat [A.] niet alle waardebepalende elementen in ogenschouw heeft genomen en de waarde van het huis te hoog heeft geschat. Aan de door appellant in beroep en in hoger beroep overgelegde stukken waaruit appellant afleidt dat de waarde van zijn eigendommen in Turkije veel lager is dan waarvan het College is uitgegaan hecht de Raad geen betekenis, reeds omdat zij betrekking hebben op data die gelegen zijn na de in geding zijnde periode.

Het voorgaande brengt mee dat niet is gebleken dat appellant ten tijde hier van belang beschikte over een vermogen dat hoger is dan het voor hem en zijn echtgenote van toepassing zijnde vrij te laten vermogen, zodat het besluit van 22 februari 2005 niet op een deugdelijke motivering berust en daarom wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt. Ook de aangevallen uitspraak, waarin dit niet is onderkend, kan niet in stand blijven.

De Raad ziet evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 22 februari 2005 in stand blijven. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de Raad namelijk van oordeel dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting door appellant niet kan worden vastgesteld of hij en zijn echtgenote ten tijde in geding recht op bijstand hadden. Dit brengt mee dat het College op die grond bevoegd is om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand met ingang van 1 november 2004 in te trekken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding te oordelen dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik zou kunnen maken.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op

€ 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 22 februari 2005;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1288,--, te betalen door de gemeente Zaanstad aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Zaanstad aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en J.J.A. Kooijman en F.A.M. Stroink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) A.C. Palmboom.