Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB0557

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-07-2007
Datum publicatie
30-07-2007
Zaaknummer
06/3665 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijstand uitbetaald in de vorm van een renteloze geldlening. Terugvordering na vaststelling netto-inkomen zelfstandige juist?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 319
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3665 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 mei 2006, 04/5018 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 17 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Namens appellante heeft mr. M.E. Zweers, advocaat te Amsterdam, de gronden van het hoger beroep aangevoerd.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2007. Appellante is met bericht niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door F.H.W. Fris, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Het College heeft aan appellante bij besluit van 1 augustus 2002 over de periode van

27 juni 2002 tot en met 31 december 2002 ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan een bijstandsuitkering toegekend in de vorm van een renteloze geldlening ingevolge het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz).

Bij besluit van 15 oktober 2003 heeft het College aan de hand van de jaarstukken over 2002 de bijstand over dat jaar definitief vastgesteld, hetgeen heeft geresulteerd in een terugvordering van € 7.670, 64.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 2 september 2004 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 28 oktober 2004 is het tegen het besluit van 15 oktober 2003 gemaakte bezwaar alsnog gegrond verklaard en is het bedrag van de terugvordering gesteld op € 6.480,99.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met een bepaling omtrent proceskosten het beroep tegen het besluit van

2 september 2004 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 28 oktober 2004 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 28 oktober 2004 ongegrond is verklaard. Zij stelt zich daarbij in het bijzonder op het standpunt dat bij besluit van

1 augustus 2002 haar ten onrechte bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan is toegekend in plaats van bijstand ter voorziening in bedrijfskapitaal. Nu het College de ontstaansgeschiedenis van het besluit van

1 augustus 2002 niet in de beoordeling heeft betrokken is het besluit van 28 oktober 2004 onzorgvuldig voorbereid.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) heeft, indien aan een zelfstandige op grond van

artikel 8, anders dan ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal, bijstand wordt verleend, deze bijstand voorlopig de vorm van een renteloze geldlening die in maandelijkse termijnen wordt uitbetaald.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt, zodra het inkomen bekend is over het boekjaar waarin de in het eerste lid bedoelde bijstand is verleend, de hoogte van deze bijstand definitief vastgesteld en vindt, voorzover het vermogen van de zelfstandige een bij algemene maatregel van bestuur te stellen grens niet te boven gaat, tot die hoogte omzetting plaats in een bedrag om niet.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van het Bbz - voorzover hier van belang - nemen burgemeester en wethouders een nadere beslissing met betrekking tot de verleende bijstand, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de wet, nadat zij het netto inkomen uit bedrijf of zelfstandig beroep definitief hebben vastgesteld aan de hand van de administratie. In het tweede lid, aanhef en onder c, van dit artikel is bepaald dat indien de verleende bijstand, vermeerderd met het in het desbetreffende boekjaar behaalde netto inkomen meer is dan de jaarnorm, de bijstand ter grootte van het verschil wordt teruggevorderd en de rest van de als geldlening verstrekte bijstand wordt omgezet in een bedrag om niet.

Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat, indien op jaarbasis te veel bijstand is verstrekt, de resterende lening dient te worden terugbetaald.

Het College heeft bij de terugvordering van de aan appellante verstrekte lening als uitgangspunt genomen het besluit van

1 augustus 2002 waarbij aan appellante ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan bijstand is toegekend in de vorm van een renteloze geldlening.

Tegen het besluit van 1 augustus 2002 is geen bezwaar gemaakt zodat het in rechte vaststaat. Derhalve kunnen naar het oordeel van de Raad de bezwaren van appellante tegen de wijze waarop bij dat besluit op haar aanvraag van 4 juli 2002 is beslist in dit geding niet aan de orde komen. Weliswaar heeft appellante - zij het eerst op 16 mei 2007 - aan het College een verzoek gedaan om terug te komen van het besluit van 1 augustus 2002, doch daarop is zoals ter zitting van de Raad van de kant van het College is vernomen nog niet beslist. Bij het besluit van 28 oktober 2004 waarbij de terugvordering van de verstrekte lening tot een bedrag van € 6.480,99 is gehandhaafd kon en mocht het College het besluit van 1 augustus 2002 dan ook als uitgangspunt nemen.

Mede gelet op de zich onder de gedingstukken bevindende inkomensgegevens van appellante over het boekjaar 2002 was het College dan ook gehouden tot terugvordering van de verstrekte lening over de periode van 27 juni 2002 tot en met

31 december 2002 over te gaan.

Voorts concludeert de Raad met de rechtbank dat het College een juiste toepassing heeft gegeven aan de ter zake relevante bepalingen.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten bevestigd moet worden.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2007.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) A.C. Palmboom.