Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB0556

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-07-2007
Datum publicatie
27-07-2007
Zaaknummer
06/3926 WWB + 06/3927 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand: geen objectieve en verifieerbare gegevens overlegd omtrent de herkomst, aard en strekking van de stortingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3926 WWB

06/3927 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te Amersfoort (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 29 mei 2006, 05/3296 en 05/3978 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort (hierna: College)

Datum uitspraak: 10 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Huisman, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Huisman, voornoemd. Zoals aangekondigd, heeft het College zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

In het kader van een heronderzoek heeft op 10 maart 2005 een gesprek plaatsgevonden tussen appellant en medewerkers van de gemeente. Hierbij heeft appellant gemeld dat hij in januari 2005 twee stortingen van elk € 5.000,-- op zijn bankrekening heeft ontvangen. Deze stortingen zijn op 7 en 19 januari 2005 gedaan door [betrokkene 1], onder vermelding “betaling [betrokkene 2]”, onderscheidenlijk “lening [betrokkene 2]”. Naar appellant heeft verklaard zijn de ontvangen bedragen voor een groot deel aangewend voor het doen van betalingen voor het in stand houden van patenten op een door hem ontworpen paardenzadel. De stortingen door [betrokkene 2] moeten worden gezien als een investering in dit zadel. Via de heer [betrokkene 2] is er contact gelegd met een Zuid-Afrikaanse firma op het gebied van de vervaardiging van luxeartikelen.

Bij besluit van 11 maart 2005 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 1 maart 2005 opgeschort op de grond dat niet alle gegevens zijn overgelegd die nodig zijn voor de uitvoering van het heronderzoek. De ontbrekende gegevens betreffen:

- een schriftelijke verklaring van de heer [betrokkene 1] en de heer [betrokkene 2] met betrekking tot de geldstortingen;

- een geldig identiteitsbewijs of paspoort en

- een toekomstplan van de Zuid-Afrikaanse firma met betrekking tot de afgesloten “deal”.

Appellant is in dit besluit in de gelegenheid gesteld de gevraagde informatie te verstrekken op 16 maart 2005.

Blijkens een rapport van 16 maart 2005 heeft appellant op deze datum slechts een geldig paspoort getoond. Dit rapport vermeldt dat op 10 maart 2005 appellant een hersteltermijn van twee weken is geboden, doch appellant zelf heeft aangedrongen op een kortere termijn, zodat zijn uitkering over maart op tijd betaald zou kunnen worden.

Bij besluit van 26 mei 2005 heeft het College met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB) de bijstand van appellant met ingang van 7 januari 2005 ingetrokken op de grond dat, nu appellant niet heeft voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting, het recht op bijstand vanaf 7 januari 2005 niet is vast te stellen. Bij dit besluit zijn tevens de gemaakte kosten van bijstand over de periode 7 januari 2005 tot en met 28 februari 2005 van appellant teruggevorderd.

Bij besluit van 28 september 2005 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 maart 2005 ongegrond verklaard. Blijkens dit besluit werpt het College appellant niet langer tegen dat hij het gevraagde toekomstplan van de Zuid-Afrikaanse firma niet heeft overgelegd. Wel is het College van opvatting dat in alle redelijkheid van appellant schriftelijke verklaringen van de heren [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn gevraagd met betrekking tot de geldstortingen.

Bij afzonderlijk besluit van eveneens 28 september 2005 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 mei 2005 in zoverre gegrond verklaard dat de bijstand van appellant niet per 7 januari 2005 wordt ingetrokken, maar per 1 maart 2005 en dat de intrekking per 1 maart 2005 is gebaseerd op artikel 54, vierde lid, van de WWB. De terugvordering is niet gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de door appellant ingestelde beroepen tegen de besluiten van 28 september 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen deze uitspraak.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Artikel 54, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bepaalt dat, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft versterkt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het College het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken kan opschorten:

a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of

b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.

Artikel 54, tweede lid, van de WWB bepaalt dat het College mededeling doet van de opschorting aan de belanghebbende en hem uitnodigt binnen een door het College te stellen termijn het verzuim te herstellen.

Ingevolge artikel 54, vierde lid, van de WWB kan het College, als de belanghebbende in het geval zoals bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort intrekken.

Met betrekking tot de opschorting van het recht op bijstand per 1 maart 2005 overweegt de Raad dat appellant op 10 maart 2005 geen objectieve en verifieerbare gegevens heeft overgelegd omtrent de herkomst, aard en strekking van de stortingen op 7 en 19 januari 2005. De verzochte gegevens heeft het College terecht van belang geacht voor het recht op bijstand van appellant. Het betreft hier immers substantiële bedragen die, naar appellant zelf heeft verklaard, niet uitsluitend zijn aangewend voor de verlenging van de patenten op het door hem ontworpen paardenzadel. Van appellant mocht verlangd worden dat hij deze gegevens verstrekte. Dat de gemaakte afspraken met [betrokkene 2] niet op schrift stonden komt voor zijn rekening en risico. De Raad volgt appellant dan ook niet in zijn stelling dat hij op 10 maart 2005 volledige openheid van zaken heeft gegeven doordat hij bankafschriften heeft overgelegd en voor de stortingen een aannemelijke verklaring heeft gegeven. Met betrekking tot het door appellant gestelde omtrent de terugwerkende kracht van de opschorting merkt de Raad op dat appellant al op 7 januari 2005 de storting van € 5.000,-- had moeten melden. De Raad komt dan ook tot het oordeel dat het College bevoegd was het recht op bijstand van appellant per 1 maart 2005 op te schorten en dat het College in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

De Raad overweegt voorts dat bij de beantwoording van de vraag of het College op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd was tot intrekking van de aan een belanghebbende verleende bijstand, ter beoordeling staat of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens nagegaan te worden of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet meer van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de belanghebbende niet binnen de gestelde termijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

Vaststaat dat appellant de gevraagde verklaringen niet op 16 maart 2005 heeft overgelegd. Gelijk de Raad hiervoor heeft overwogen dienen deze verklaringen van belang te worden geacht voor het recht op bijstand van appellant vanaf 1 maart 2005. Niet valt in te zien dat appellant hierover redelijkerwijs niet tijdig kon beschikken. De Raad tekent hierbij aan dat, gelet op het rapport van 16 maart 2005, de gestelde termijn voor het overleggen van deze verklaringen juist op instigatie van appellant is gegeven. Hier komt bij dat appellant niet heeft verzocht om uitstel. Onder deze omstandigheden is er geen plaats voor het oordeel dat appelkant niet kan worden verweten de gevraagde gegevens niet binnen de gestelde termijn te hebben verstrekt.

De Raad is dan ook van oordeel dat het College bevoegd was de bijstand van appellant per 1 maart 2005 in te trekken en dat het College in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad overweegt tot slot dat hij geen termen aanwezig acht voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. van Ommen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2007.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) S. van Ommen.

PR/180707