Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB0473

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-07-2007
Datum publicatie
26-07-2007
Zaaknummer
05-1899 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1899 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 16 februari 2005, 04/1072 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Dekker, advocaat te Purmerend, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2007. Namens appellante is verschenen mr. Dekker voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Frederiks.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 4 maart 1999 is aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Na medisch en arbeidskundig onderzoek is deze uitkering bij besluit van 5 februari 2004 met ingang van 29 maart 2004 ingetrokken. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit van 5 mei 2004 gegrond verklaard. Hierbij is de uitkering met ingang van 29 maart 2004 herzien en nader berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. In dit kader heeft de bezwaararbeidsdeskundige geconstateerd dat drie functies resteren om de schatting op te baseren.

De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit ongegrond verklaard.

Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het Uwv verklaard dat één van de drie resterende functies, te weten de functie van operator voedingsmiddelenindustrie (sbc-code 271121), niet langer passend is geacht. In verband hiermee heeft zij om aanhouding van de procedure verzocht, teneinde nader onderzoek te kunnen doen naar de vraag of nadere functies zijn te selecteren.

De Raad ziet geen aanleiding om het onderhavige verzoek tot aanhouding in te willigen. In dit kader heeft de Raad overwogen dat het Uwv, voorafgaand aan de zitting, ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om bedoeld nader onderzoek te kunnen verrichten.

De Raad stelt gezien het vorenstaande vast dat de functie van operator voedingsmiddelenindustrie ten onrechte aan de schatting ten grondslag is gelegd. De resterende twee functies vormen ingevolge het bepaalde in artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, voor zover hier van belang inhoudende dat een schatting dient te berusten op ten minste drie verschillende in Nederland uitgeoefende functies, een ontoereikende grondslag voor het bestreden besluit.

Het bestreden besluit komt derhalve, als berustend op een ondeugdelijke grondslag, voor vernietiging in aanmerking, evenals de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten. Het Uwv dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

De Raad acht termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Daarnaast komen de kosten voor het opvragen van inlichtingen bij de behandelend sector ad € 50,-- voor vergoeding in aanmerking.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 694,--, waarvan € 644,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C. Bruning en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. van der Wal.