Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB0319

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2007
Datum publicatie
25-07-2007
Zaaknummer
06-2847 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WW-uitkering. Is terecht een maatregel opgelegd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/2847 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 9 mei 2006, 05/389 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 11 april 2007.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. P. Bobeldijk, werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp te Assen, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. van den Berg, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Betrokkene is -met voorafgaand bericht- niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.2. Betrokkene is vanaf 15 juni 2002, laatstelijk op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die liep van 16 december 2003 tot 15 december 2004, werkzaam geweest in de functie van verkoopster bij [werkgever] (hierna: werkgever). Op 11 december 2004 heeft de werkgever aan betrokkene medegedeeld dat haar arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd.

2.2. Naar aanleiding van de aanvraag van betrokkene heeft appellant bij besluit van

25 januari 2005 aan haar met ingang van 15 december 2004 een WW-uitkering toegekend. Bij dat besluit is op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW in verbinding met artikel 27 van die wet tevens een maatregel opgelegd tot een korting van 20% gedurende 16 weken omdat betrokkene voorafgaand aan haar werkloosheid niet heeft gesolliciteerd. Bij besluit op bezwaar van 7 april 2005 (het bestreden besluit) heeft appellant de bezwaren van betrokkene, die waren gericht tegen het opleggen van de maatregel, ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat van betrokkene had mogen worden verwacht dat zij zelf eerder geïnformeerd zou hebben naar de duur van haar dienstverband en dat zij -door af te wachten tot de laatste werkdag- door eigen toedoen geen kansen heeft gecreëerd om eventuele werkloosheid te voorkomen.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant de opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Onder verwijzing naar het beleid van appellant, zoals neergelegd in het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW (Stcrt. 1998, 22), heeft de rechtbank geoordeeld dat het standpunt van appellant dat een werknemer met een tijdelijk contract verplicht zou zijn om tijdens de gehele periode van het tijdelijk contract te solliciteren naar werk met een bestendiger karakter niet kan worden gevolgd. Volgens de rechtbank kan betrokkene slechts worden tegengeworpen dat zij niet reeds in de periode van 11 december 2004 tot 15 december 2004 heeft gesolliciteerd, waarbij het gaat om twee werkdagen waarop betrokkene in de visie van appellant sollicitatieactiviteiten had moeten verrichten. De rechtbank achtte dit een te smalle basis om daarop de in geding zijnde maatregel te baseren. Mitsdien is onvoldoende komen vast te staan dat betrokkene het in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW neergelegde voorschrift heeft overtreden, zodat geen grond bestond voor het opleggen van een maatregel.

4.1. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Daartoe is aangevoerd dat de rechtbank voorbij is gegaan aan het door hem ingebrachte standpunt dat betrokkene werkzaam was in een bedrijfstak die zich in de in geding zijnde periode in economisch ‘zwaar weer’ bevond en dat betrokkene, die een tijdelijk arbeidscontract had dat afliep op 15 december 2004, er rekening mee had moeten houden dat het risico aanwezig was dat de aanstelling op die datum daadwerkelijk ook zou aflopen. Nu betrokkene voor afloop van het contract niets heeft gedaan en geen enkele zekerheid had dat haar contract zou worden verlengd, heeft zij zich volgens appellant niet behoorlijk van haar sollicitatieplicht gekweten

4.2. Betrokkene handhaaft haar standpunt dat zij pas vanaf 11 december 2004 kon weten dat haar dienstbetrekking niet werd verlengd en dat zij daarna sollicitatieactiviteiten is gaan ondernemen.

5.1. Ter beoordeling staat thans de vraag of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend en hij overweegt daartoe het volgende.

5.2. De Raad stelt vast dat partijen er niet over van mening verschillen dat betrokkene voorafgaand aan het einde van de tijdelijke dienstbetrekking geen concrete sollicitatieactiviteiten heeft ontplooid. In hoger beroep is uitsluitend de vraag aan de orde of betrokkene daardoor de ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW op haar rustende verplichting niet is nagekomen.

5.3. In de bijlage bij het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW heeft appellant zijn beleid neergelegd ter zake van de uit de WW voortvloeiende plicht van werknemers om sollicitatieactiviteiten te verrichten. Onder het kopje “Sollicitatieplicht werknemers voorafgaande aan recht op uitkering” is bij het tweede gedachtestreepje gesteld: “Van de werknemer wiens (tijdelijke) dienstverband op een andere wijze dan door opzegging eindigt wordt verlangd dat hij sollicitatieactiviteiten ontwikkelt vanaf het moment dat het hem redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat de dienstbetrekking eindigt”. De Raad heeft in zijn uitspraak van 6 juli 2005, LJN AT9477, USZ 2005/328, overwogen dat dit onderdeel van het beleid van appellant niet in strijd is met een juiste uitleg van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW.

5.4. Ter bepaling van het moment waarop het betrokkene redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat haar dienstbetrekking eindigde dient, zoals uit de zojuist vermelde uitspraak van de Raad blijkt, een voldoende objectiveerbaar tijdstip te worden genomen.

5.5. Anders dan appellant ter zitting heeft toegelicht, ziet de Raad in de enkele omstandigheid dat een collega van betrokkene door haar werkgever vier weken voor het aflopen van haar tijdelijke contract ervan op de hoogte werd gesteld dat dit contract niet zou worden verlengd, geen objectiveerbaar tijdstip gelegen waaruit betrokkene reeds vier weken voor het einde van haar contract had kunnen of moeten afleiden dat ook haar tijdelijke contract niet zou worden verlengd. Ook gelet op hetgeen overigens door appellant in hoger beroep is aangevoerd, kan de Raad met de rechtbank niet anders dan tot het oordeel komen dan dat ervan uitgegaan dient te worden dat de werkgever betrokkene er eerst op 11 december 2004 van in kennis heeft gesteld dat haar contract, dat van rechtswege eindigde per 15 december 2004, niet zou worden verlengd. Nu betrokkene in de periode van 11 december 2004 tot 15 december 2004, waarvan twee dagen in het weekend vielen, niet heeft gesolliciteerd, acht de Raad deze periode dermate kort dat het niet reëel is betrokkene te verwijten dat zij voorafgaande aan haar werkloosheid niet heeft gesolliciteerd. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat bij het bestreden besluit ten onrechte is aangenomen dat het voorschrift van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW is geschonden en dat mitsdien ten onrechte een maatregel tot korting van 20% gedurende 16 weken is opgelegd.

5.6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht termen aanwezig om appellant met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van betrokkene, begroot op € 322,--, te voldoen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht wordt geheven van € 428,--.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.J. Goorden en

A.W.M. Bijloos als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J. Rentmeester als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 april 2007.

(get.) H. Bolt.

(get.) A.J. Rentmeester.

04/04

BdH