Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB0300

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-07-2007
Datum publicatie
24-07-2007
Zaaknummer
05-5034 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Deugdelijke motivering eerst in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/5034 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 4 juli 2005, 04/2015 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Schoonbrood, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingezonden en nadere rapportages met bijlagen in het geding gebracht d.dis. 7 oktober 2005 en 3 mei 2007 van de bezwaarverzekeringsarts

J. Jonker, d.d. 10 oktober 2005 van de bezwaararbeidsdeskundige mr. J.J. van der Naald en d.d. 7 mei 2007 van de bezwaararbeidsdeskundige C.G.H.J. Habets.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar voornoemde raadsman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Smid.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

Bij het bestreden besluit van 25 oktober 2004 heeft het Uwv gehandhaafd zijn beslissing van 2 juni 2004, waarbij de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is ingetrokken per 29 juli 2004, onder de overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de medische beperkingen van appellante zoals verwoord in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) niet zijn onderschat en heeft daarbij doorslaggevende betekenis toegekend aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts Jonker. Voorts meent de rechtbank dat appellante de haar voorgehouden functies moet kunnen vervullen, zodat het Uwv, gelet op hetgeen appellante met die functies kan verdienen, de mate van haar arbeidsongeschiktheid terecht op minder dan 15% heeft bepaald.

In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat de beperkingen van appellante in de FML niet zijn onderschat. Appellante stelt dat de beperkingen, die zijn opgenomen in de door verzekeringsarts

H. Bruning opgestelde FML van 13 maart 2003, op basis waarvan zij voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt is geacht, zwaarder zijn dan de beperkingen die door de verzekeringsarts J. Rosier zijn opgenomen in de FML van 6 februari 2004, die de basis vormt voor de intrekking van haar WAO-uitkering, terwijl de conclusies van deze verzekeringsartsen in hun respectievelijke rapporten ten aanzien van de medische beperkingen nagenoeg gelijkluidend zijn. Appellante stelt dat de beperkingen in de laatste FML onjuist, want te licht zijn en meent dat onvoldoende rekening is gehouden met haar fysieke en psychische klachten. Zij meent voorts dat zij met haar beperkingen niet in staat is de haar voorgehouden functies te vervullen, waarbij zij er onder meer op wijst dat anders dan op basis van de eerstgenoemde FML, zij nu wel in staat wordt geacht om functies met bijvoorbeeld pedaalbediening uit te oefenen. Appellante stelt dat ten onrechte niet is toegelicht, ook niet door de bezwaarverzekeringsarts J. Jonker in haar in hoger beroep ingebrachte rapportages, waar de verschillen tussen de beide Functionele Mogelijkheden Lijsten op zijn gebaseerd en heeft in dat verband gewezen op de uitspraak van de Raad d.d. 19 januari 2007, LJN: AZ7864. Tot slot is namens appellante nog naar voren gebracht dat de functies uit de Sbc codes 111160 en 111180, die uiteindelijk door het Uwv aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd, nooit aan haar zijn voorgehouden, zodat de intrekking van haar uitkering niet op haar geschiktheid voor die functies kan worden gebaseerd.

De Raad oordeelt als volgt.

De bestreden intrekking van de WAO-uitkering van appellante is in medische zin gebaseerd op de inschatting van haar arbeidsbeperkingen zoals die door de verzekeringsarts J. Rosier zijn opgenomen in de FML van 6 februari 2004. Blijkens zijn rapportage van dezelfde datum was hij ermee bekend dat appellante inmiddels onder behandeling was van de psycholoog H. Esser, en van het gegeven dat appellante inmiddels was geopereerd aan het lipoom op haar rechter heup. Appellante heeft daarbij aangegeven dat zij nog steeds een doof gevoel heeft op de plek waar de operatie is geweest. De verzekeringsarts constateert een groot litteken ten gevolg van de operatie, echter zonder echte functionele beperkingen. In de FML neemt hij beperkingen op ten aanzien van de belasting van het rechterbeen, de rug en ten aanzien van stress. Blijkens haar in hoger beroep ingebrachte voornoemde rapportages en haar rapport van

14 september 2004 kan de bezwaarverzekeringsarts J. Jonker zich vinden in de door Rosier voor appellante geformuleerde beperkingen. De bezwaarverzekeringsarts heeft bij haar beoordeling ook betrokken de inmiddels van de appellante behandelende psycholoog H. Esser verkregen informatie d.d. 2 juli 2004. In hoger beroep heeft de bezwaarverzekeringsarts de genoemde FML nog aangepast, door de in de FML van

6 februari 2004 opgenomen “beperkende” toelichtingen te vertalen in concrete beperkingen, en deze vast te leggen in een FML gedateerd 3 mei 2007.

Naar het oordeel van de Raad zijn er geen aanwijzingen, dat de beperkingen van appellante zoals deze zijn opgenomen in laatstgenoemde FML, door de (bezwaar)verzekeringsartsen zijn onderschat. Bij het opstellen van deze beperkingen is rekening gehouden met de beschikbare en relevante informatie van de artsen die appellante hebben behandeld en is in voldoende mate toegelicht waarom de informatie heeft geleid tot de opgenomen beperkingen. Daarbij is ook van belang dat van de zijde van appellante geen informatie is ingebracht die een ander licht werpt op haar beperkingen.

De opgeworpen grief van appellante, onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad d.d. 19 januari 2007, dat niet c.q. onvoldoende is gemotiveerd waarom ondanks een gelijk gebleven medische situatie, sprake is van lichtere beperkingen, slaagt niet. Anders dan kennelijk de situatie was in de zaak die heeft geleid tot de genoemde uitspraak, is naar het oordeel van de Raad in het onderhavige geval wel sprake van een verandering c.q. verbetering in de medische situatie van appellante die het verschil kan verklaren, nu appellante ten tijde van de beoordeling door de verzekeringsarts H. Bruning nog last had van een fors lipoom aan haar rechter heup/dij, waaraan zij ten tijde van de beoordeling door verzekeringsarts J. Rosier inmiddels was geopereerd, met blijkens het betreffende rapport kennelijk goed resultaat. Ook met betrekking tot de beoordeling van de psychische klachten van appellante zijn in de beide rapporten verschillen te constateren, in de zin dat de klachten ten tijde van de tweede beoordeling verminderd waren. Alhoewel het gelet op de grieven in hoger beroep, maar ook op hetgeen namens appellante reeds in beroep is aangevoerd, in de rede zou hebben gelegen dat de bezwaarverzekeringsarts J. Jonker duidelijk zou hebben toegelicht waarom in tweede instantie van lichtere beperkingen is uitgegaan, vormt gelet op het vorenoverwogene het ontbreken van die toelichting in dit geval voor de Raad geen aanleiding om de bestreden schatting niet in stand te laten.

Gelet op de inhoud van de rapporten van de (bezwaar)arbeidsdeskundigen, met name van de in hoger beroep overgelegde rapportages van de bezwaararbeidsdeskundigen

J.J. van der Naald en C.G.H.J. Habets, is de Raad van oordeel dat appellante in staat moet worden geacht om met haar in de FML van 3 mei 2007 vastgelegde beperkingen de door Habets genoemde functies van productiemedewerker (Sbc code 272042), textielproductenmaker (Sbc code 111160) en productiemedewerker (Sbc code 111180) te vervullen. Gelet op hetgeen appellante met deze functies nog zou kunnen verdienen, bedraagt de mate van haar arbeidsongeschiktheid per de in dit geding relevante datum van 29 juli 2004, minder dan 15%.

De grief van appellante dat de intrekking van haar uitkering per die datum niet op haar geschiktheid voor de genoemde functies mag worden gebaseerd, omdat de twee laatstgenoemde functies haar nooit schriftelijk of mondeling zijn voorgehouden, wordt door de Raad verworpen. Inderdaad blijkt uit de gedingstukken niet dat zij schriftelijk over haar geschiktheid voor die functies is geïnformeerd, omdat ze niet worden genoemd in de brief d.d. 28 mei 2004 van de arbeidsdeskundige W. Janssen, en de betreffende arbeidsmogelijkhedenlijst ook niet als bijlage bij die brief aan appellante is gezonden. In de betreffende brief worden twee andere functies genoemd, die later in de procedure zijn komen te vervallen, en zijn vervangen door twee functies, die blijkens de rapportage van de arbeidsdeskundige van dezelfde datum als reservefuncties bij de schatting zijn betrokken, en ook zijn opgenomen in de arbeidsmogelijkhedenlijst.

Wel stelt genoemde arbeidsdeskundige in zijn rapportage, dat hij op 28 mei 2004 met appellante heeft gesproken en dat hij daarbij onder meer de functionele mogelijkhedenlijst, de vanuit het CBBS geselecteerde functies en de daarop gebaseerde schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid met haar heeft besproken. Eerst ter zitting heeft appellante aangegeven, dat dat gesprek inderdaad heeft plaats gehad, maar dat zij tijdens het gesprek door haar emoties werd overvallen, en dat er daarom geen gelegenheid is geweest alle functies met haar te bespreken, althans dat zij zich dat niet kan herinneren. Deze mededeling ter zitting vormt naar het oordeel van de Raad onvoldoende basis om aannemelijk te achten dat de arbeidsdeskundige de functies aan appellante niet heeft voorgehouden. De gemachtigde van appellant had al sinds de bezwaarfase van het geding de beschikking over de genoemde arbeidsmogelijkhedenlijst maar heeft nooit aangevoerd dat de functies niet met appellante zijn besproken.

Al het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat het Uwv de WAO-uitkering van appellante terecht per 29 juli 2004 heeft ingetrokken, onder de overweging dat haar arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%.

Wel is de Raad van oordeel dat pas in hoger beroep de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit door het Uwv deugdelijk is gemotiveerd. Dit brengt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit van 25 oktober 2004 dient te worden vernietigd, maar dat er gelet op hetgeen in deze uitspraak is overwogen voldoende aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het besluit geheel in stand te laten. Nu het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak in stand is gelaten, zal de Raad die uitspraak vernietigen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. De Raad begroot deze kosten op € 644,- aan kosten voor rechtsbijstand in beroep en € 644,- aan kosten voor rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidende beroep tegen het besluit van 25 oktober 2004 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J. Brand en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.