Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB0277

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-07-2007
Datum publicatie
24-07-2007
Zaaknummer
05-4245 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Toelichting in beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/4245 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 juni 2005, 04/2052 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft P.J. Reeser, werkzaam voor SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 9 mei 2007 heeft Reeser, voornoemd, nog nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2007. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door Reeser voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M. Klootwijk.

II. OVERWEGINGEN

Appellante was voor 20 uur per week werkzaam als kleuterleidster, toen zij per

18 januari 2002 is uitgevallen met hartklachten. In aansluiting op het verstrijken van de wettelijke wachttijd, met ingang van 17 januari 2003, is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 5 januari 2004 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 7 maart 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

35 tot 45%. Dit besluit berust op het standpunt dat appellante op 7 maart 2004, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen met het voor haar geldende maatmaninkomen resulteert volgens het Uwv in een verlies aan verdiencapaci-teit van 35 tot 45%.

Namens appellante is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 13 september 2004, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft zich in de aangevallen uitspraak verenigd met de medische en de arbeidskundige aspecten van de beoordeling van de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid. Wel heeft de rechtbank geoordeeld dat pas nadat het bestreden besluit was genomen een voldoende toelichting is gegeven bij de selectie van de functies die aan appellante zijn voorgehouden. Om die reden heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. De rechtbank heeft echter tevens bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in stand worden gelaten. De rechtbank heeft voorts bepalingen gegeven omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Appellante heeft in hoger beroep uitsluitend grieven van medische aard naar voren gebracht. Appellante is – kort gezegd – van mening dat het Uwv haar klachten en beperkingen heeft onderschat. Zij benadrukt daarbij dat het Uwv ten onrechte is uitgegaan van een (medische) urenbeperking van slechts 4 uur per dag, onderscheidenlijk 20 uur per week. Appellante heeft in dit verband gewezen op een schrijven van de cardioloog dr. A.M.W. Alings van 13 september 2005. Volgens appellante blijkt uit dit schrijven dat zij slechts gedurende 2 uur per dag, onderscheidenlijk 10 uur per week in staat is tot het verrichten van arbeid. Appellante heeft voorts gewezen op een verklaring van haar werkgever, waaruit evenzeer zou volgen dat zij meer beperkt is ten aanzien van het verrichten van arbeid dan door het Uwv aangenomen.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De Raad ziet geen aanleiding om met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. Evenals de rechtbank komt ook de Raad tot het oordeel dat niet is kunnen blijken dat de door de verzekeringsarts opgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts geaccordeerde Functionele Mogelijkheden Lijst van 10 december 2003 geen juiste weergave vormt van de bij appellante ten tijde in geding bestaande medische beperkingen. Hetgeen in hoger beroep namens appellante is aangevoerd, biedt onvoldoende aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen of tot het instellen van een nader medisch onderzoek.

Naar aanleiding van het eerdergenoemde schrijven van Alings van 13 september 2005 merkt de Raad nog op dat, voor zover Alings zich in zijn schrijven al expliciet heeft uitgesproken omtrent de noodzaak van een urenbeperking, de uitspraken van Alings lijken te zijn ingegeven door de eigen inschatting van appellante met betrekking tot haar belastbaarheid en niet op een objectiveerbare beoordeling als deskundige. Op grond van het arbeidsongeschiktheidscriterium van de WAO is evenwel niet beslissend de eigen opvatting van een verzekerde dat hij of zij niet meer (volledig) kan werken.

Aan de opvatting van de werkgever van appellante met betrekking tot appellantes gezondheidstoestand, die niet wordt geschraagd door medische gegevens, kan de Raad evenmin dat gewicht toekennen dat appellante daaraan gehecht wil zien.

Wat betreft de geselecteerde functies heeft de rechtbank ten slotte terecht geoordeeld zoals zij heeft gedaan.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en H.G. Rottier en

C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2007.

(get.) H. Bolt.

(get.) W.R. de Vries.