Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB0267

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-07-2007
Datum publicatie
24-07-2007
Zaaknummer
05-4114 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Oordeel onafhankelijk deskundige ingeschakeld door bestuursrechter in principe volgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4114 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 20 mei 2005, 02/351 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Bijlsma, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Bijlsma heeft zich bij brief van 3 maart 2006 teruggetrokken als gemachtigde van appellant.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.G.G. Schoonderbeek.

II. OVERWEGINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder Uwv tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft op 16 maart 1998 zijn werkzaamheden als docent informatica bij het ROC Oost-Nederland te Hengelo gestaakt wegens concentratie-, geheugen- en nekklachten na een val van het dak van zijn carport. Bij besluit van 14 april 1999 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 11 april 1999 een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In het kader van de eerstejaars herbeoordeling is appellant op 22 maart 2000 onderzocht door de verzekeringsarts D.C.G. van Reenen, die in zijn rapport van dezelfde datum zijn bevindingen uit dat onderzoek heeft neergelegd. Van Reenen heeft op grond van deze bevindingen geconcludeerd dat appellant in staat moet worden geacht om duurzaam gangbare arbeid te verrichten, waarbij rekening wordt gehouden met diens beperkingen. Deze beperkingen heeft Van Reenen vastgelegd in het door hem op 22 maart 2000 opgemaakte belastbaarheidspatroon. De registerarbeidsdeskundige J.G.W.D. Eikema heeft op 26 juni 2000 gerapporteerd en, naar aanleiding van het daartoe strekkende verzoek van appellant, voorgesteld om eerst nadere medische informatie op te vragen. Na bestudering van de door hem ontvangen informatie van appellants behandelend neuroloog dr. E.N.H. Jansen Steur van 4 oktober 2000 heeft Van Reenen te kennen gegeven geen aanleiding te zien het door hem vastgestelde belastbaarheidspatroon aan te passen. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige M.G. Derkink een aantal functies geselecteerd die appellant met zijn beperkingen moet worden geacht te kunnen vervullen en aan de hand van de drie hoogst verlonende van deze functies het verlies aan verdienvermogen van appellant berekend op ruim 49%. Op basis van genoemd verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 28 november 2000 de aan appellant toegekende WAO-uitkering met ingang van 30 januari 2001 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 november 2000. Bij besluit van 11 maart 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard, zich daarbij met name baserende op de bevindingen en conclusies van de bezwaarverzekeringsarts W. Kuiper, neergelegd in diens rapportage van

28 december 2001. Kuiper is tot deze bevindingen en conclusies gekomen op basis van bestudering van de voorhanden zijnde medische gegevens en van telefonisch ingewonnen informatie bij drs. E. Kamminga, als psycholoog werkzaam bij het Rug Advies Centrum te Enschede.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft ten behoeve van haar oordeelsvorming deskundigen benoemd. De neuroloog J.A. Haas, die heeft gerapporteerd op 18 augustus 2003, heeft op basis van het door hem verrichte onderzoek geconcludeerd dat hij zich kan verenigen met het ten aanzien van appellant opgestelde belastbaarheidspartroon en dat het waarschijnlijk lijkt dat appellant op de datum in geding, 30 januari 2000, in staat was tot het verrichten van de werkzaamheden die behoren bij de drie aan hem voorgehouden functies. Tevens heeft Haas geadviseerd tot het doen van een neuropsychologisch onderzoek. De neuropsycholoog A. Bons, die heeft gerapporteerd op 9 augustus 2004, heeft op basis van het door hem verrichte onderzoek, gesteld dat hij zich niet kan verenigen met het ten aanzien van appellant opgestelde belastbaarheidspatroon omdat hij de psychische belastbaarheid van appellant, in tegenstelling tot hetgeen in het belastbaarheidspatroon is neergelegd, verminderd acht en omdat hij van mening is dat vermoeidheid en pijn een energetische beperking voor appellant met zich brengen. Op grond hiervan betwijfelde Bons of appellant op de datum in geding de aan appellant voorgehouden functies kon vervullen.

De bezwaarverzekeringsarts J.L. Waasdorp, die ook al bij rapport van 26 september 2003 had gereageerd op de rapportage van Haas, heeft bij rapport van 20 augustus 2004 gereageerd op de rapportage van Bons en daarin onder meer aangegeven dat de door Bons aangenomen verminderde psychische belastbaarheid niet het gevolg is van ziekte of gebrek, dan wel een stoornis op het psychische vlak, zodat hieromtrent geen beperkingen kunnen worden meegenomen ter zake van appellants belastbaarheid. Bons heeft bij schrijven van 3 oktober 2004 op het rapport van Waasdorp gereageerd en daarin aangegeven dat hij de reactie en de kritiek van Waasdorp op zijn bevindingen en conclusies grotendeels onjuist acht en verwezen naar de conclusies van de neuroloog Haas. Op deze reactie van Bons heeft Waasdorp weer uitgebreid gereageerd bij zijn rapport van 16 november 2004, waarin hij wederom heeft gesteld en betoogd dat er geen redenen zijn om het standpunt ten aanzien van de belastbaarheid van appellant te wijzigen.

Bij brief van 29 november 2004 heeft Haas, na kennis te hebben genomen van de bevindingen en conclusies van Bons en de daarop gevolgde correspondentie tussen Waasdorp en Bons, onder verwijzing naar het standpunt van Waasdorp, waarachter hij zich kan stellen, zijn bevindingen en conclusies, neergelegd in zijn rapportage van 18 augustus 2003 gehandhaafd. De rechtbank heeft vervolgens de conclusies van Haas gevolgd en geoordeeld dat appellant op en na 30 januari 2000 in staat moest worden geacht tot het verrichten van de door de arbeidsdeskundige aan appellant voorgehouden functies, waarmee nog een zodanig inkomen kan worden verdiend dat bij het bestreden besluit terecht het standpunt is gehandhaafd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant dient te worden vastgesteld op 45 tot 55%. De van de zijde van appellant ingebrachte medische informatie, waaronder het standpunt van de medisch adviseur van appellant en brieven van de behandelend neuroloog Jansen Steur, heeft de rechtbank niet tot een andersluidend oordeel kunnen brengen.

Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit.

In hoger beroep heeft appellant geen nadere medische gegevens ingebracht. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte geen doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan de bevindingen en conclusies van Bons, neergelegd in diens rapportage van 9 augustus 2004, en aan de verklaringen van de behandelend neuroloog Jansen Steur.

De Raad kan zich stellen achter het oordeel van de rechtbank en achter de overwegingen die de rechtbank in de aangevallen uitspraak aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank is op zorgvuldige wijze tot haar oordeel is gekomen en heeft zich op goede gronden aangesloten bij de conclusies en bevindingen van de door haar als deskundige geraadpleegde neuroloog Haas. De Raad wijst er op dat in vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat hij het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken, is de Raad niet gebleken. De deskundige Haas heeft zijn bevindingen en conclusies genoegzaam onderbouwd en heeft, na bestudering van de rapportage van Bons en de daarop gevolgde correspondentie tussen Waasdorp en Bons, geconcludeerd tot handhaving van deze bevindingen en conclusies. Niet kan worden vastgesteld dat Haas zijn eigen oordeel niet serieus heeft overwogen. Bovendien moet worden vastgesteld dat appellant in hoger beroep geen nieuwe medische informatie in het geding heeft gebracht die een ander licht werpt op appellants medische situatie op de in geding zijnde datum 30 januari 2001.

Op grond van het voorgaande moet worden geoordeeld dat het hoger beroep geen doel treft, zodat wordt beslist als hieronder is vermeld.

De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en H.G. Rottier en

C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2007.

(get.) H. Bolt.

(get.) W.R. de Vries.