Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB0257

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-07-2007
Datum publicatie
24-07-2007
Zaaknummer
05-6502 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering: minder dan 15% arbeidsongeschikt. Bij FML geen rekening gehouden met beperkingen als gevolg van het dragen van gipscorset.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/6502 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 28 september 2005, 2005/148 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Staal, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand gevestigd te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend waarin verwezen wordt naar een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2007. Beide partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als technisch medewerker bij [naam werkgever]. Op 26 februari 2003 heeft hij dit werk moeten staken wegens (recidiverende) rugklachten.

Na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken heeft een beoordeling in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) plaatsgevonden. In dat verband heeft verzekeringsarts R. Leboux, nadat hij appellant heeft gezien, op 20 april 2004 rapport uitgebracht. In dit rapport vermeldt deze arts dat appellant recidiverende rugklachten heeft waarvoor hij reeds eerder in het kader van de WAO is beoordeeld. Geconstateerd wordt dat appellant nog steeds belemmeringen ondervindt van zijn klachten en moeite heeft met zwaardere lichamelijke bewegingen zoals langdurig staan, (trap)lopen, buigen, knielen en tillen. Bij werkzaamheden heeft appellant moeite met langdurig zitten in voorovergebogen houding. Vermeld wordt dat appellant onder behandeling is van een orthopedisch chirurg. In verband met de aanhoudende klachten draagt appellant tijdelijk een gipscorset. Bezien zal nog worden of in de toekomst een operatieve ingreep zal plaatsvinden. De verzekeringsarts heeft vervolgens een aantal medische beperkingen vastgesteld die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) d.d. 20 april 2004. Concluderend heeft de verzekeringsarts vastgesteld dat appellant onveranderd aangewezen blijft op rugsparende werkzaamheden.

Met inachtneming van de FML heeft arbeidsdeskundige C. Spaans, in een rapportage van 6 mei 2004, appellant geschikt geacht voor een aantal functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 15%. Nader overleg heeft nog plaatsgevonden tussen de arbeidsdeskundige en de verzekeringsarts of het dragen van het gipscorset de functieduiding in de weg staat. De arbeidsdeskundige heeft naar aanleiding van dit overleg aangegeven dat het gipscorset geen beletsel is om tot functieduiding over te gaan nu dit van tijdelijke aard is.

In overeenstemming met dit rapport is appellant bij besluit van 10 mei 2004 meegedeeld dat na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken hem een WAO-uitkering wordt geweigerd omdat appellant in aansluiting op deze periode voor minder dan 15% arbeidsongeschikt is.

Namens appellant is tegen dit besluit bezwaar gemaakt en is de medische en arbeidskundige beoordeling bestreden.

Bezwaarverzekeringsarts C.G. van der Kooij heeft naar aanleiding van de bezwaren van appellant nog nadere informatie ingewonnen bij de behandelende sector (orthopedisch chirurg). Deze nadere informatie alsmede de reeds in de stukken aanwezige gegevens hebben de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding gegeven om tot een ander oordeel te komen. Met de in de FML opgenomen beperkingen is in voldoende mate rekening gehouden met de klachten van appellant.

Bezwaararbeidsdeskundige A.F.M. van Belkom kan zich in zijn rapport van 20 december 2004 geheel verenigen met de motivering en conclusie van arbeidsdeskundige Spaans.

Bij besluit op bezwaar van 21 december 2004 zijn de bezwaren appellant ongegrond verklaard en is het besluit van 10 mei 2004 gehandhaafd.

De rechtbank heeft zich zowel met de medisch als de arbeidskundige component van het bestreden besluit kunnen verenigen en heeft het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep zijn namens appellant de eerder in de procedure naar voren gebrachte grieven herhaald.

De Raad overweegt als volgt.

Anders dan de rechtbank kan de Raad zich met de medische en als gevolg daarvan de arbeidskundige component van het bestreden besluit niet verenigen.

Uit de medische bijlage die bij het bezwaarschrift van 21 juli 2004 is gevoegd, blijkt dat appellant gedurende de periode van 15 maart tot 27 april 2004 een gipscorset heeft gedragen. Daarmee staat ook vast dat appellant op de datum in het geding, 9 april 2004, dit gipscorset heeft gedragen. Ook in de rapportage van 20 april 2004 van verzekeringsarts Leboux wordt vermeld dat appellant ten tijde van het onderzoek dit corset droeg en dat hij in verband daarmee ook geen auto reed.

Uit voornoemde rapportage en uit de FML is de Raad echter gebleken dat de verzekeringsarts Leboux bij het opstellen van de beperkingen in de FML van 20 april 2004, hiermee geen rekening heeft gehouden.

Nu het bestreden besluit inhoudt dat per 9 april 2004 een WAO-uitkering aan appellant wordt geweigerd omdat hij geschikt wordt geacht de geselecteerde functies te verrichten, dient op de datum in het geding vast te staan dat appellant, naar medisch oordeel, in staat moet zijn deze functies op de datum te kunnen vervullen.

Naar oordeel van de Raad is daarvan geen sprake. Immers, uit de gedingstukken blijkt dat appellant op de datum in dit geding een gipscorset droeg terwijl de aan het betreden besluit ten grondslag liggende FML uitgaat van een belastbaarheid waarbij geen rekening is gehouden met beperkingen als gevolg van het dragen van dit corset. Aldus vormt, naar het oordeel van de Raad, deze FML geen juiste weergave van de belastbaarheid van appellant waardoor het bestreden besluit in medisch opzicht een juiste grondslag ontbeert.

In het verlengde daarvan is daardoor tevens niet komen vast te staan dat appellant op de datum in geding de geselecteerde functies kan vervullen.

Het voorgaande brengt mee dat het bestreden besluit in rechte niet kan worden gehandhaafd. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in eerste aanleg en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtbijstand.

Met betrekking tot de vordering van de kosten van het in eerste aanleg namens appellant ingediende rapport d.d. 19 mei 2005 van P.A.L. Blokzeijl, orthopedisch chirurg, is de Raad van oordeel dat deze vordering gelet op artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), voor toewijzing in aanmerking komt.

Gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder b, van het Bpb komt appellant bij een bestede tijd van 9,5 uur in verband met het opmaken van de rapportage een forfaitaire vergoeding toe van € 941,55. Dit is gebaseerd op het voor een dergelijk rapport in artikel 1, eerste lid, onder IV, van toepassing verklaarde Besluit tarieven in strafzaken vastgestelde maximale uurtarief van € 99,11.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.585,55 te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 134,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J. Brand en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

MK