Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB0231

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-07-2007
Datum publicatie
24-07-2007
Zaaknummer
05-695 AAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

AAW-uitkering. Individuele grondslag. Heeft betrokkene als gevolg van het niet in een voor haar beroep normaal te achten duur arbeid verrichten, gedurende het refertejaar minder inkomen verworven dan het minimumloon?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/695 AAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 24 december 2004, 03/1204 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2007. Appellante en haar gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.T. Dieters.

II. OVERWEGINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemers verzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv mede verstaan het Lisv, dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen.

Appellante, geboren [in] 1934, heeft haar gehandicapte zoon [naam zoon] gedurende het grootste deel van zijn leven verzorgd. De aan [naam zoon] toegekende uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) is onder toepassing van het bepaalde in artikel 13 van de AAW met ingang van 10 maart 1988 verhoogd van 70 naar 100% op grond van de bij hem bestaande toestand van volledige hulpbehoevendheid, welke oppas en verzorging noodzakelijk maakte. [naam zoon] heeft deze verhoging maandelijks als vergoeding voor aan hem verleende hulp aan appellante betaald, door overmaking van f 650,- per maand aan appellante. Deze bedragen heeft appellante opgegeven aan de belastingdienst als inkomsten en zij heeft hierover inkomstenbelasting en premies afgedragen. Appellante heeft [naam zoon] in ieder geval tot het intreden van haar arbeidsongeschiktheid in december 1992 gedurende 7 dagen per week thuis verzorgd. De verzorging betrof de dagelijks voor zelfverzorging benodigde handelingen en andere activiteiten van het dagelijks leven.

Appellante heeft in juni 1994 een aanvraag om toekenning van een uitkering krachtens de AAW ingediend bij het Uwv. Op deze aanvraag is aanvankelijk afwijzend beslist door het Uwv, onder meer omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante minder dan 25% zou bedragen. Nadat de rechtbank dit besluit had vernietigd, omdat een door haar ingeschakelde deskundige appellante volledig arbeidsongeschikt achtte, heeft het Uwv geweigerd een AAW-uitkering aan appellante toe te kennen, omdat zij in het jaar voorafgaande aan het intreden van haar arbeidsongeschiktheid, per 14 december 1992, geen inkomen uit of in verband met arbeid zou hebben verworven. De rechtbank heeft ook dit besluit vernietigd, omdat appellante wel heeft voldaan aan de inkomenseis, nu haar werkzaamheden ten behoeve van [naam zoon] aangemerkt moeten worden als arbeid die in het economisch verkeer door derden kan en pleegt te worden verricht. De Raad heeft dit oordeel in zijn uitspraak van 5 december 2001, nr. 01/388 AAW, onderschreven.

Bij besluit van 6 december 2002 heeft het Uwv met ingang van 14 december 1993 een uitkering krachtens de AAW aan appellante toegekend, gebaseerd op de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en berekend naar de individuele grondslag van € 12,42 bruto per dag. Daarbij is het Uwv ervan uitgegaan dat appellante voor het intreden van haar arbeidsongeschiktheid gedurende omstreeks 30 uur per week verzorgende taken heeft verricht. De bezwaren van appellante, gericht tegen de individuele grondslag, zijn door het Uwv bij beslissing op bezwaar van 23 oktober 2003 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellante bij de aangevallen uitspraak eveneens ongegrond verklaard, overwegende dat de door appellante aangevoerde (twee) grieven gericht tegen de toepassing van artikel 10, derde en vierde lid, van de AAW en tegen de berekening van de individuele grondslag niet slagen. Met betrekking tot het eerste geschilpunt heeft de rechtbank overwogen dat appellante niet in een voor haar beroep normaal te achten duur, zijnde 38 uur per week, arbeid heeft verricht en dat het Uwv terecht heeft aangenomen dat appellante als gevolg daarvan in het refertejaar minder inkomen heeft verworven dan het minimumloon. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv het bedrag van f 17.000,--, dat [naam zoon] op 18 oktober 1991 heeft overgemaakt aan appellante, terecht buiten beschouwing heeft gelaten nu die betaling niet in het refertejaar is ontvangen en niet is gebleken dat die bedoeld was als een vergoeding voor de door appellante verrichte arbeid in het refertejaar.

In hoger beroep heeft appellante de twee hiervoor genoemde grieven herhaald. Verder is aangevoerd dat artikel 10, derde lid, van de AAW indirect discriminatoir moet worden geacht nu in het algemeen toentertijd meer vrouwen dan mannen minder dan 38 uur per week werkzaam waren.

De Raad overweegt het volgende.

Tussen partijen is allereerst in geschil of de rechtbank de namens appellante in beroep aangevoerde grieven bij de aangevallen uitspraak terecht heeft verworpen.

Wat betreft de toepassing van artikel 10, derde lid, van de AAW spitst het geschil tussen partijen in hoger beroep zich met name toe op de vraag of appellante, als gevolg van het niet in een voor haar beroep normaal te achten duur arbeid verrichten, gedurende het refertejaar minder inkomen heeft verworven dan het minimumloon. De Raad heeft met betrekking tot dit geschilpunt al eerder, onder meer in de uitspraak van 17 februari 1998, USZ 1998/92 en LJN: AG8488, overwogen dat in beginsel wordt aangenomen dat er sprake is van een oorzakelijk verband tussen de arbeidsduur en de omvang van de inkomsten, tenzij de feiten en omstandigheden van het geval wijzen op het tegendeel. Daarbij heeft de Raad aangetekend dat het woord ?mede’ in artikel 10, derde lid, van de AAW er naar zijn oordeel op wijst dat er slechts ?enig’ en zeker geen ?exclusief’ causaal verband wordt geëist tussen de niet normaal te achten arbeidsduur en het verworven inkomen. Hoewel in deze zaak sprake is van een bijzondere situatie is de Raad, evenals de rechtbank, tot de slotsom gekomen dat appellante niet uitsluitend ten gevolge van de omstandigheden waarin [naam zoon] verkeerde minder inkomen heeft verworven dan het minimumloon, maar dat zulks althans mede het gevolg is geweest van het feit dat zij niet gedurende een voor haar beroep normaal te achten duur arbeid heeft verricht. Daarbij wijst de Raad er op dat niet is gebleken dat er geen enkel verband bestaat tussen het aantal uren dat appellante werkzaam is geweest en het ontvangen inkomen daarvoor.

Ten aanzien van de berekening van de individuele grondslag kan de Raad zich eveneens geheel verenigen met het oordeel van de rechtbank. Op grond van het bepaalde in en krachtens de AAW dient het in artikel 6, eerste lid, onder a, van de AAW bedoelde inkomen daadwerkelijk in het refertejaar te zijn verkregen. Vaststaat dat het bedrag van f 17.000,-- niet in het refertejaar door appellante is ontvangen. Voorts is op geen enkele wijze gebleken dat dit bedrag, dat kennelijk betrekking heeft op de nabetaling van de verhoogde AAW-uitkering van [naam zoon] vanaf 1988, bedoeld is als een vergoeding voor in de toekomst door appellante te verrichten werkzaamheden. Zulks is overigens te minder aannemelijk nu appellante vanaf december 1991 maandelijks vaste bedragen als vergoeding voor haar werkzaamheden heeft ontvangen van [naam zoon].

Met betrekking tot de namens appellante in hoger beroep aangevoerde stelling dat artikel 10, derde lid, van de AAW indirect discriminatoir moet worden geacht verwijst de Raad ten slotte naar zijn uitspraak van 21 juni 1991 (RSV 1992/75). In deze uitspraak is overwogen dat de regeling betreffende de individuele grondslag in de AAW niet onverenigbaar is met hetgeen in de Richtlijn 79/7 is bepaald omtrent de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de sociale zekerheid en dat evenmin kan worden gesproken van een verboden onderscheid naar geslacht in de zin van artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. In hetgeen namens appellante is aangevoerd heeft de Raad, mede gelet op het in geschil zijnde tijdvak, geen aanleiding gevonden voor een ander oordeel hieromtrent.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Beslist wordt mitsdien als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en J. Brand en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2007.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) D. Olthof.

CVG