Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB0230

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-07-2007
Datum publicatie
24-07-2007
Zaaknummer
05-3361 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Deugdelijke motivering eerst in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3361 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 29 april 2005, 04/4452 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 20 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. de Miranda, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2007.

Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. drs. A.J. Verdonk.

II. OVERWEGINGEN

Het inleidend beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 6 september 2004 (bestreden besluit), waarbij het Uwv - beslissend op bezwaar - zijn besluit van

18 maart 2004 heeft gehandhaafd. Bij laatstgenoemd besluit heeft het Uwv appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25% ingaande 11 juni 2003. Voor een overzicht van de aan het besluit van 6 september 2004 voorafgegane relevante feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard onder overweging - kort samengevat- dat niet is gebleken dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat de beperkingen van appellant gelet op de beschikbare medische informatie juist zijn vastgesteld.

Met betrekking tot de bezwaren van arbeidskundige aard heeft de rechtbank geoordeeld dat de door het Uwv gegeven motivering toereikend is voor de vaststelling dat de belasting van de drie voor de schatting gebruikte functies van opbouwer, samensteller en operator de belastbaarheid van appellant niet te boven gaat.

In hoger beroep heeft appellant onder verwijzing naar zijn bezwaar- en beroepschrift herhaald dat zijn beperkingen zijn onderschat en dat de geselecteerde functies voor hem niet passend zijn.

Ter onderbouwing van zijn standpunt dat zijn concentratieproblemen zijn onderschat heeft appellant een rapport van zijn behandelend psychiater, mevrouw H.J. Weisz, van

19 mei 2005 overgelegd. In het bijzonder wordt verwezen naar de volgende passage:

“Belangrijkste problemen ten aanzien van werkhervatting zijn: slaapproblemen, vermoeidheid, concentratieproblemen en een verhoogde prikkelgevoeligheid waarbij de waarneming en realiteitstoetsing verder verstoord kan raken en de heer [appellant] dus meer last kan krijgen van verwardheid (psychotische belevingen)”.

In het verweerschrift in de onderhavige procedure heeft het Uwv aangegeven in de brief van mevrouw Weisz geen grond te zien om de belastbaarheid van appellant voor arbeid per 11 juni 2003 anders te zien dan bij het bestreden besluit is vastgelegd.

De Raad overweegt als volgt.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er, gelet op de stukken, geen reden is om aan te nemen dat de verzekeringsartsen de medische beperkingen van appellant op de datum in geding onzorgvuldig dan wel onjuist hebben vastgesteld. De Raad stelt zich achter de overwegingen die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd.

De Raad onderschrijft het standpunt van het Uwv dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om de door mevrouw Weisz op 18 januari 2005 na een psychiatrisch onderzoek gestelde diagnose (depressieve stoornis met psychotische kenmerken) ook van toepassing te achten op de dit geding beheersende datum, te weten 11 juni 2003.

Met zijn rapportage van 6 september 2005 heeft de bezwaararbeidsdeskundige

W.G.E. Buskermolen de Raad de volgende nadere motivering doen toekomen.

“Van de vijf in de rapportage d.d. 23 juni 2004 genoemde functies zijn er voor de schatting vier overgebleven: assembleerder (opbouwer), machinaal metaalbewerker (operator), productiemedewerker textiel (stikker meubelbekleding) en elektromonteur (samensteller).

Naar aanleiding van bezwaren van de kant van belanghebbende heb ik in mijn reacties van 30 augustus 2004, 9 november 2004 en 23 juni 2005 nadere toelichtingen gegeven bij de functieduiding. Met die toelichtingen is m.i. ingegaan op alle relevante matchende items, al dan niet met signaleringen.

Er is één niet-matchend aspect waarop in de functionele mogelijkhedenlijst een beperking is aangegeven, te weten ‘emotionele problemen van anderen hanteren’. Belanghebbende kan voldoende afstand nemen in gedrag, niet in beleving. In de geduide functies spelen op dit punt niet of nauwelijks eisen; taken met eisen op contactueel gebied ontbreken vrijwel volledig. Er wordt alleen of, ingeval van samenwerking, met een afgebakende deeltaak gewerkt. Confrontatie met andermans emotionele problemen is dan vrijwel uitgesloten”.

Nu de beperking van appellant op het aspect ‘emotionele problemen van anderen hanteren’ in relatie tot de voor hem geselecteerde functies niet eerder is toegelicht, stelt de Raad vast dat hiermee eerst in hoger beroep is voldaan aan de in de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (LJN-nummers AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722) gestelde motiveringseisen. De Raad ziet hierin aanleiding om zowel het bestreden besluit als de aangevallen uitspraak te vernietigen.

De Raad ziet echter ook aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit geheel in stand te laten en hij overweegt daartoe het volgende.

Het Uwv is er niet in geslaagd duidelijk te maken dat de functie van machinaal metaalbewerker (operator) op het aspect geluidsbelasting geschikt is voor appellant. Uitgaande van de door de verzekeringsarts gestelde beperking als volgt toegelicht: “geen lawaai, verzekerde is al overprikkeld als het stil is en verdraagt geen lawaai”, volstaat het argument dat met gehoorbeschermers een aanvaardbaar geluidsniveau kan worden bereikt en dat er dan geen probleem meer is, niet.

Met het vervallen van de functie van machinaal metaalbewerker (operator) resteren de functies van assembleerder (opbouwer, SBC-code 265110), electromonteur (samensteller, SBC-code 267010) en produktiemedewerker textiel (stikker meubelbekleding, SBC-code 272043), waarop de theoretische schatting kan worden gebaseerd. Door het Uwv is reeds in de fase van bezwaar inzichtelijk gemotiveerd waarom deze functies door appellant met de ten aanzien van hem vastgestelde medische beperkingen kunnen worden vervuld. De grieven die appellant heeft aangevoerd met betrekking tot de aspecten buigen in de functie van opbouwer, tillen in de functie van samensteller en stof in de functie van stikker meubelbekleding, zijn reeds weerlegd in het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak.

Dit betekent dat aan appellant voldoende functies met voldoende arbeidsplaatsen zijn voorgehouden die vallen binnen de belastbaarheid van appellant en de conclusie rechtvaardigen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de WAO terecht is vastgesteld op 15-25%.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand en € 11,04 voor reiskosten in beroep alsmede op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand en € 12,44 voor reiskosten in hoger beroep, in totaal derhalve € 1.311,48.

Aangezien zowel in beroep als in hoger beroep een toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand is verleend, dient het bedrag van de (proces)kosten te worden betaald aan de griffier van de Raad.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag in totaal groot € 1.311,48, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en

I.M.J. Hilhorst-Hagen en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.E. Nijdam als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2007.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) N.E. Nijdam.