Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB0228

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-07-2007
Datum publicatie
24-07-2007
Zaaknummer
06-4165 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering: verwijtbaar werkloos? Ontslagname op medische gronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/4165 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 6 juni 2006, 05/147 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 juli 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Dijkman, advocaat te Almelo, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Op verzoek van appellant is als getuige gehoord E.H. Groenewegen, verzekeringsarts bij ADVIMED b.v. te Amstelveen. Appellant heeft gevraagd de zitting aan te houden teneinde ook drs. J. Dijkstra-Zaanen, gezondheidszorgpsychologe te Hengelo, als getuige te horen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad ziet geen aanleiding om drs. J. Dijkstra-Zaanen als getuige te horen en wijst het verzoek van appellant om aanhouding van de zitting af.

2. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

3. Voor een uitgebreide weergave van de relevante feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

3.1. Appellant is op 23 april 1979 in dienst getreden van het familiebedrijf [naam werkgever] (hierna: de werkgever). Sedert 1 januari 1987 was hij ook statutair directeur. Vanaf 9 december 2003 heeft appellant geen loon meer ontvangen. De arbeidsovereenkomst is op verzoek van appellant door de rechtbank ontbonden met ingang van 1 mei 2004. De rechtbank heeft geen vergoeding toegekend aan appellant.

3.2. Appellant heeft op 20 april 2004 een uitkering ingevolge de WW aangevraagd. Die uitkering is hem bij besluit van 23 juni 2004 door het Uwv geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. Het Uwv heeft het door appellant tegen dit besluit ingediende bezwaar ongegrond verklaard bij beslissing op bezwaar van 30 december 2004 (hierna: het bestreden besluit). In het bestreden besluit heeft het Uwv het standpunt ingenomen dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW, nu hij zonder gegronde redenen de rechtbank om ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft verzocht. Het Uwv achtte met name geen sprake van een acute medische noodzaak op grond waarvan de dienstbetrekking op korte termijn zou moeten eindigen. Het Uwv heeft zich verder aangesloten bij het oordeel van de rechtbank in de ontbindingsprocedure dat sprake was van een verstoorde arbeidsrelatie, die voornamelijk aan appellant is te wijten.

4. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank kwam tot het oordeel dat het Uwv zich terecht en op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden door zelf om ontbinding van de arbeidsovereenkomst te verzoeken zonder dat een (acute) medische noodzaak aanwezig was, en zich eveneens terecht op het standpunt heeft gesteld dat aan voortzetting van de dienstbetrekking ook anderszins niet zodanige bezwaren waren verbonden, dat die voortzetting redelijkerwijs niet van appellant kon worden gevergd. Naar het oordeel van de rechtbank was niet in te zien dat het Uwv niet heeft mogen uitgaan van de juistheid van de ontbindings-beschikking, waarin is geoordeeld dat de verstoorde arbeidsrelatie voornamelijk appellant was aan te rekenen. Van omstandigheden die maken dat het door appellant niet nakomen van de verplichting om te voorkomen verwijtbaar werkloos te worden hem niet in overwegende mate kan worden verweten was naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

5.1. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat voortzetting van de dienstbetrekking in verband met arbeidsongeschiktheid niet van hem kon worden gevergd en zijn gezondheid zou schaden. Appellant meent dat zowel het advies van de bedrijfsarts van 6 oktober 2003 naar aanleiding van zijn ziekmelding, als het rapport van verzekeringsarts Dekker van 30 januari 2004, die een second opinion heeft uitgebracht, op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen is, nu deze artsen hem conform de richtlijnen voor bedrijfsartsen met betrekking tot het handelen bij werknemers met psychische klachten gedurende slechts twee weken arbeidsongeschikt hebben geacht in verband met het bestaan van een arbeidsconflict, zonder aandacht te besteden aan zijn al jarenlang bestaande psychische klachten en de door drs. J. Dijkstra-Zaanen, gezondheidszorg-psychologe, geconstateerde burn-out. Appellant heeft ter ondersteuning van zijn stellingen een rapport van deze psychologe van 27 januari 2004 overgelegd en een rapport van E.H. Groenewegen, verzekeringsarts RGA bij ADVIMED, van 17 juli 2004. Appellant heeft verder aangevoerd dat het Uwv ten onrechte het oordeel van de rechtbank in de ontbindingsprocedure heeft overgenomen en ten onrechte de rol van de werkgever niet heeft onderzocht.

5.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Hij heeft erop gewezen dat zijn bezwaarverzekeringsarts na bestudering van het dossier omtrent voornoemde rapporten heeft gerapporteerd en dat ook overigens het geheel van omstandigheden niet zodanig was dat van appellant voortzetting van de dienstbetrekking niet kon worden gevergd.

6. De Raad overweegt als volgt.

6.1. In artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW is bepaald dat de werknemer voorkomt dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Ingevolge artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien de dienstbetrekking eindigt of is beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.

Artikel 27, eerste lid, van de WW bepaalt dat, indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW opgelegd, niet is nagekomen, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de uitkering blijvend geheel weigert, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten.

6.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de arbeidsverhouding tussen appellant en zijn werkgever verstoord is geraakt. De rechtbank heeft in de ontbindingsprocedure geoordeeld dat die verstoring vrijwel geheel in de risicosfeer van betrokkene ligt en aan hem te wijten is. Het Uwv heeft dit oordeel overgenomen in het bestreden besluit, zoals nader toegelicht in het verweerschrift in eerste aanleg. Het Uwv heeft hierbij, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 8 december 2004, LJN AR7044 en USZ 2005, 96, gesteld dat niet is gebleken dat de rechtbank in de ontbindingsprocedure van onjuiste feiten is uitgegaan, dan wel op basis van de haar ten dienste staande gegevens niet tot haar oordeel heeft kunnen komen.

6.3. De Raad overweegt dat uit de door het Uwv genoemde uitspraak niet kan worden afgeleid dat, indien de rechter in de ontbindingsprocedure van de juiste feiten is uitgegaan, diens op die feiten gebaseerde oordeel over de oorzaak van het arbeidsconflict en de toerekening daarvan zonder meer door het Uwv kan worden overgenomen bij de beoordeling of sprake is van verwijtbare werkloosheid. Het Uwv dient zich daarover te allen tijde zelf een oordeel te vormen. In dit geval klemde dit temeer, omdat appellant in de bezwaarprocedure een rapport van ADVIMED heeft overgelegd dat ten tijde van de uitspraak van de rechtbank in de ontbindingsprocedure nog niet beschikbaar was en aanleiding gaf tot een nadere bezinning over de verwijtbaarheid van appellants werkloosheid. Door zich, na te hebben overwogen dat er onvoldoende medische gronden waren voor ontslagname, zonder enige motivering te stellen achter het oordeel van de rechtbank dat de verstoring van de arbeidsverhouding volledig appellant is aan te rekenen en daaraan de conclusie te verbinden dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden, heeft het Uwv zijn eigen verantwoordelijkheid miskend.

Het bestreden besluit is dan ook genomen in strijd met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel en met het in artikel 7:12 van de Awb neergelegde motiveringsbeginsel en kan derhalve niet in stand blijven. De aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten, komt eveneens voor vernietiging in aanmerking.

6.4. De Raad zal voorts beoordelen of appellant verwijtbaar werkloos is geworden en, gezien de standpunten van partijen, in dat kader bezien of op het moment waarop appellant zijn ontbindingsverzoek bij de rechtbank indiende, zodanige bezwaren bestonden, in het bijzonder van medische aard, tegen voortzetting van de dienstbetrekking, dat die voortzetting redelijkerwijs niet van appellant kon worden gevergd.

6.5. Het Uwv heeft aangenomen dat appellant niet in de termen van de door hem gehanteerde criteria bij ontslagname op medische gronden als niet verwijtbaar werkloos kan worden aangemerkt. De Raad kan dat standpunt onderschrijven. Gesteld noch gebleken is dat het indienen van het ontbindingsverzoek appellant niet is aan te rekenen, noch dat het enkele bestaan van de dienstbetrekking reeds zo bezwaarlijk was voor de gezondheidstoestand van appellant, dat de voortzetting daarvan op zichzelf reeds zijn gezondheid zou schaden, noch dat sprake is geweest van een medisch advies aan appellant om ontslag te nemen. Daarmee is echter nog niet gezegd dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Daarbij dienen alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking te worden genomen. In dit verband acht de Raad het volgende van belang.

6.6. Appellant heeft zich op 25 september 2003 ziek gemeld met spanningsklachten. Zijn huisarts heeft hem voor behandeling daarvan doorverwezen naar een psychologe. Uit de door de huisarts aan het Uwv verstrekte informatie blijkt dat appellant al eerder spanningsklachten had, maar daarvoor nooit hulp heeft gezocht. De psychologe, drs. J. Dijkstra-Zaanen, heeft in haar rapportage van 27 januari 2004 aangegeven dat de psychische en somatische klachten van appellant zich gedurende een langere periode hebben ontwikkeld en geïntensiveerd en gezien de persoonlijkheidsstructuur van appellant en de duur en de opbouw van het psychische conflict zijn uitgegroeid tot een burn-out. In het rapport van verzekeringsarts E.H. Groenewegen van 17 juli 2004 is eveneens gesteld dat appellant al geruime tijd voor de ziekmelding last had van forse psychische problematiek. In dat rapport is verder gesteld dat appellant op ondeugdelijke gronden hersteld is verklaard en vanaf de ziekmelding doorlopend arbeidsongeschikt moet worden geacht. De door de bedrijfsarts en de verzekeringsarts gehanteerde diagnose is volgens E.H. Groenewegen niet juist geweest. Ter zitting van de Raad heeft E.H. Groenewegen verder nog verklaard dat werkhervatting door appellant diens klachten zou hebben verergerd en dat niet uitgesloten is dat hij, indien de dienstbetrekking zou hebben voortgeduurd zonder dat een oplossing van het arbeidsconflict in zicht kwam, appellant uiteindelijk zou hebben geadviseerd om ontslag te nemen.

6.7. De bezwaarverzekeringsarts van het Uwv heeft zich in haar aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde rapportage van 20 december 2004 beperkt tot beantwoording van de vraag of is voldaan aan voormelde criteria met betrekking tot ontslagnames op medische gronden, waarbij zij de vragen of werkhervatting de gezondheid van appellant zou schaden en of aan deze situatie binnen afzienbare tijd een einde zou komen, niet heeft beantwoord. De bezwaarverzekeringsarts heeft, naar de Raad aanneemt omdat daarom niet was gevraagd door het Uwv, evenmin onderzocht of anderszins gegronde redenen bestonden voor appellant om zijn dienstbetrekking te laten ontbinden. Het Uwv heeft over deze vraag dan ook geen medisch onderbouwd standpunt ingenomen. Gelet hierop gaat de Raad voor de beantwoording hiervan uit van de bevindingen van de behandelend psychologe Dijkstra en van de verzekeringsarts Groenewegen, zoals neergelegd in hun bovengenoemde rapporten. Op basis van deze rapporten, die naar het oordeel van de Raad op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, deugdelijk zijn onderbouwd en consistent zijn, acht de Raad, mede gelet op de ter zitting van de Raad door E.H. Groenewegen afgelegde verklaring, voldoende aannemelijk gemaakt dat appellant vanaf zijn ziekmelding doorlopend arbeidsongeschikt is geweest ten gevolge van ziekte en dat voortzetting van de dienstbetrekking diens gezondheid zou hebben geschaad. De Raad volgt derhalve niet het standpunt van de bedrijfsarts en de verzekeringsarts, dat appellant na een periode van twee weken waarin hij het arbeidsconflict moest oplossen, zijn werkzaamheden met ingang van 20 oktober 2003 zou kunnen hervatten. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat dit oordeel is gebaseerd op de naar het oordeel van de Raad onjuist gebleken aanname dat appellant niet arbeidsongeschikt was ten gevolge van een medische oorzaak, maar dat er een arbeidsconflict was. Hetzelfde geldt voor het standpunt van de verzekeringsarts J. Visser die in het kader van een deskundigen-onderzoek op 30 januari 2004 rapporteerde dat sprake was van surmenage ten gevolge van een arbeidsconflict. Dat appellant zijn werkzaamheden per 20 oktober 2003, op welk moment het arbeidsconflict niet was opgelost en zijn gezondheidssituatie niet was verbeterd, zijn werkzaamheden niet heeft hervat, was, achteraf gezien, dan ook gerechtvaardigd. Nu uit de stukken voorts niet is gebleken van enige poging van de werkgever om tot een oplossing te komen van het tussen hem en appellant gerezen arbeidsconflict en het dossier ook geen aanknopingspunt bevat voor de veronderstelling dat een oplossing van het arbeidsconflict binnen afzienbare tijd kon worden verwacht, was op 5 februari 2004 sprake van een situatie waarin van appellant redelijkerwijs niet kon worden verlangd dat hij de dienstbetrekking voortzette.

6.8. Gelet op het vorenstaande komt de Raad tot het oordeel dat het Uwv zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Het Uwv was derhalve niet bevoegd een maatregel van blijvend gehele weigering op te leggen. Nu het Uwv dat toch heeft gedaan heeft hij een besluit genomen dat ook wegens strijd met artikel 27, eerste lid, van de WW zou moeten worden vernietigd. De Raad ziet derhalve geen reden de rechtsgevolgen in stand te laten. Zoals onder 6.3. reeds aangegeven komt ook de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.

7. De Raad ziet aanleiding het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant en hij begroot deze op € 644,-- in bezwaar, op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep, in totaal derhalve een bedrag van

€ 1.932,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen een nieuwe beslissing op bezwaar neemt;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in bezwaar, beroep en hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.932,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem betaalde griffierecht van € 142,-- ( €37,-- + € 105,--) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2007.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.

Bvw

97