Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB0223

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-07-2007
Datum publicatie
24-07-2007
Zaaknummer
05-3317 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting op WAO-uitkering wegens inkomsten. Terugwerkende kracht terecht? Bedrag terugvordering juist?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3317 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 april 2005, 04/80 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 20 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Degelink, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2007.

Appellante is verschenen bij haar gemachtigde mr. G.J.A. van Dijk, kantoorgenoot van mr. Degelink. Het Uwv was niet vertegenwoordigd.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 17 juni 2003 heeft het Uwv de aan appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) uit te betalen uitkering vanaf 1 januari 1999 verlaagd naar € 919,56 bruto per maand, vanaf 1 januari 2000 naar € 780,85 bruto per maand, vanaf 1 januari 2001 naar € 997,57 bruto per maand en vanaf 1 januari 2002 naar € 1.042,66 bruto per maand. Daarbij is aangegeven dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante ongewijzigd meer dan 80% blijft.

Bij besluit van 1 december 2003 (bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 17 juni 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv bepaald dat de WAO-uitkering van appellante met toepassing van artikel 44, eerste lid, van de WAO in de periode van 1 januari 1999 tot 1 januari 2000 wordt berekend naar de fictieve arbeidsongeschiktheidsklasse van 65-80%, in de periode van 1 januari 2000 tot 1 januari 2001 naar de fictieve arbeidsongeschiktheidsklasse van 55-65% en in de periode van

1 januari 2001 tot 1 januari 2002 naar de fictieve arbeidsongeschiktheidsklasse van

65-80%. Daarbij is tevens besloten dat het recht in de periode van 1 januari 1999 tot

1 januari 2002 bepaald wordt op de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80% of meer.

Tot slot is de WAO-uitkering van appellante met toepassing van artikel 44, tweede lid, van de WAO per 1 januari 2002 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

65-80%.

De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante aangegeven dat zij wist dat haar verdiensten van invloed waren op haar uitkering. Het Uwv heeft haar echter niet tijdig geïnformeerd, haar WAO-uitkering is ten onrechte met terugwerkende kracht gekort en het bedrag van de terugvordering is te hoog vastgesteld.

De Raad stelt voorop dat (het bedrag van) de terugvordering in dit geding niet aan de orde is, omdat het bestreden besluit daarover geen beslissing bevat.

De Raad stelt vast dat het primaire besluit slechts betrekking heeft op de toepassing - met terugwerkende kracht - van artikel 44, eerste lid, van de WAO, terwijl het bestreden besluit ook een beslissing bevat over de toepassing van artikel 44, tweede lid, van de WAO, te weten de herziening per 1 januari 2002 van de WAO-uitkering van appellante naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80%.

De rechtbank heeft appellante in haar beroep tegen dit onderdeel van het bestreden besluit ontvangen.

De Raad acht dit niet juist. Hij overweegt daartoe als volgt.

In artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep in te stellen eerst tegen dat besluit bezwaar dient te maken, behoudens in een aantal uitzonderingsgevallen. Bij het thans in geding zijnde besluit heeft het Uwv - voor het eerst - een beslissing genomen over de toepassing van artikel 44, tweede lid, van de WAO. Aldus is sprake van een primair besluit, waartegen niet direct beroep bij de rechtbank kan worden ingesteld, maar waarop het voorschrift van artikel 7:1 van de Awb van toepassing is, tenzij een van de in de Awb bepaalde uitzonderingen op de hoofdregel zich hier voordoet, wat evenwel niet het geval is.

De aangevallen uitspraak kan in zoverre derhalve niet in stand blijven.

Appellantes inleidend beroep bij de rechtbank dient alsnog niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Onder analoge toepassing van artikel 6:15 van de Awb, dat ingevolge artikel 6:24 van die wet in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, dient het bij de rechtbank ingediende (aanvullend) beroepschrift, dat zich bevindt onder de bij de Raad aanwezige gedingstukken, te worden doorgezonden aan het Uwv ten einde te worden behandeld als bezwaarschrift.

Met betrekking tot de toepassing van artikel 44, eerste lid, van de WAO overweegt de Raad als volgt.

In de vaste jurisprudentie van de Raad ligt besloten dat het beginsel van rechtszekerheid vergt dat de toepassing van artikel 44, eerste lid, van de WAO niet met terugwerkende kracht op reeds uitbetaalde uitkeringen kan plaatsvinden. Dit beginsel lijdt echter uitzondering indien betrokkene wist, dan wel redelijkerwijs kan worden geacht te weten dat de inkomsten uit arbeid van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag dat daarvan wordt uitbetaald. Een dergelijke uitzonderingssituatie doet zich hier voor. Appellante heeft in hoger beroep niet langer betwist dat zij heeft begrepen dat haar inkomsten niet zonder invloed op haar uitkering konden blijven.

De Raad onderschrijft niet de stelling van appellante dat het Uwv haar niet tijdig heeft geïnformeerd over de (mogelijke) consequenties van haar bijverdiensten. Zoals het Uwv in het verweerschrift heeft aangegeven en door appellante niet is bestreden, is zowel door het Abp als door UWV/USZO de nodige informatie verstrekt over de wijzigingen van appellantes (wettelijke en bovenwettelijke) uitkeringen vanaf 1 januari 1996. Uit de gedingstukken blijkt voorts niet dat sprake is geweest van ondubbelzinnige, schriftelijke en ongeclausuleerde toezeggingen door bevoegde personen dat de inkomsten uit de werkzaamheden van appellante geen gevolgen zullen hebben voor haar WAO-uitkering. Ook het tamelijk langdurige (ongeveer vier jaar lang) stilzitten van het Uwv, hoezeer ook af te keuren, leidt niet tot het oordeel dat toepassing van artikel 44, eerste lid, van de WAO niet meer aan de orde kon zijn, nu die bepaling een verplichtend karakter heeft. Het in het bestreden besluit vervatte anticumulatiebesluit houdt dan ook in rechte stand. In zoverre slaagt het hoger beroep derhalve niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

De Raad acht termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover betrekking hebbend op de toepassing van artikel 44, eerste lid, van de WAO;

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Verklaart het beroep, voor zover betrekking hebbend op de toepassing van artikel 44, tweede lid, van de WAO alsnog niet-ontvankelijk;

Bepaalt dat het Uwv alsnog een beslissing op bezwaar neemt over de toepassing van artikel 44, tweede lid, van de WAO;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 134,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.E. Nijdam als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2007.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) N.E. Nijdam.