Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB0217

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-07-2007
Datum publicatie
24-07-2007
Zaaknummer
05-3047 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is ingangsdatum WAJONG-uitkering juist? Eerdere AAW-uitkering van invloed op ingangsdatum?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/3047 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 20 april 2005, 04/2788 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft H. van Lochem, sociaal juridisch dienstverlener, werkzaam bij MEE Oost-Gelderland, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2007. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegen-woordigen door mr. M. Diekema, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

Bij formulier gedateerd 2 april 2004, door het Uwv ontvangen op 6 april 2004, heeft appellante een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG) aangevraagd.

Bij besluit van 26 mei 2004 heeft het Uwv aan appellante ingaande 6 april 2003 een WAJONG-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.

Appellante heeft zich niet met de ingangsdatum van de uitkering kunnen verenigen. Zij is van mening dat er sprake is van een bijzonder geval zoals beschreven in artikel 29, tweede lid, van de WAJONG en dat er derhalve dient te worden afgeweken van de algemene regel om haar met één jaar terugwerkende kracht een WAJONG-uitkering toe te kennen. Appellante heeft vanaf 1979 een AAW-uitkering ontvangen, welke in maart 1983 om onduidelijke redenen is stopgezet. Zij stelt destijds niet bij machte te zijn geweest om te reageren op de stopzetting.

Het Uwv heeft bij besluit van 7 oktober 2004 (bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat niet te verifiëren is dat appellante een AAW-uitkering heeft genoten en gaat er vanuit dat de aanvraag van 6 april 2004 een eerste aanvraag was. Het Uwv ziet geen reden af te wijken van de algemene regel dat de uitkering niet eerder ingaat dan één jaar voor de datum van de aanvraag.

In beroep heeft appellante haar gronden van bezwaar herhaald. Tevens heeft zij overzichten van de maanden juni 1981, juli 1981, augustus 1981 en september 1981 overgelegd waaruit blijkt dat zij in die maanden een uitkering van de rechtsvoorganger van het Uwv ontving.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard en hiertoe overwogen dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de periode van 1979 tot en met maart 1983 een AAW-uitkering heeft ontvangen. Tevens heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om aan te nemen dat appellante vanwege haar psychische toestand niet in staat was in een eerder stadium een WAJONG-uitkering aan te vragen.

In hoger beroep heeft appellante wederom naar voren gebracht dat uit de maand-overzichten die zij in beroep heeft ingebracht blijkt dat er een uitkering door het toenmalige GAK was verstrekt. Omdat appellante sinds haar zeventiende jaar arbeidsongeschikt was, is het naar haar mening aannemelijk dat het een AAW-uitkering betrof. Voorts was appellante, in verband met psychische problemen, niet in staat in een eerder stadium de aanvraag voor een uitkering in te dienen.

Vervolgens heeft appellante bij schrijven van 31 augustus 2005 een drietal bank-afschriften in geding gebracht. Uit die bankafschriften valt naar zij heeft aangevoerd af te leiden dat zij op 12 november 1981, 11 december 1981 en 13 januari 1982 een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft ontvangen. Over de overige maanden zijn geen bankafschriften of andere bewijsstukken meer te achterhalen, aldus appellante.

De Raad stelt vast dat uit de gedingstukken blijkt dat appellante in de maanden juni 1981, juli 1981, augustus 1981, september 1981 november 1981, december 1981 en

januari 1982 een uitkering heeft ontvangen van de rechtsvoorganger van het Uwv en dat in ieder geval die laatste drie uitkeringen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen betroffen. Naar het oordeel van de Raad heeft appellante hiermee voldoende aannemelijk gemaakt dat zij op enig moment in de periode van 1979 tot 1983 een arbeidsongeschiktheids-uitkering heeft ontvangen van de rechtsvoorganger van het Uwv. De Raad acht voldoende aannemelijk gemaakt dat het een AAW-uitkering betrof.

Nu vast staat dat appellante reeds eerder een AAW-uitkering heeft ontvangen, kan de stelling van het Uwv dat de aanvraag van appellante een eerste aanvraag betreft, geen stand houden. De grondslag van het primaire besluit van 26 mei 2004 is derhalve onjuist.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak en het besluit van 7 oktober 2004 dienen te worden vernietigd. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.299,90 (2 punten voor rechtsbijstand in beroep, 2 punten voor rechtsbijstand in hoger beroep, waarde van een punt bedraagt € 322,-, wegingsfactor

1 + € 11,90 reiskosten in hoger beroep).

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 7 oktober 2004;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op bezwaar neemt;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.299,90, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante de betaalde griffierechten in beroep en in hoger beroep van in totaal € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en J. Brand en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2007.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) D. Olthof.