Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB0187

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-07-2007
Datum publicatie
24-07-2007
Zaaknummer
04-4807 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Juiste motivering eerst in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/4807 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 20 juli 2004, 03/915 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn namens appellante ingediend door mr. F.A.M. Bot, werkzaam bij de Utrechtse Juristen Groep.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante is een expertiserapport, gedateerd 26 juni 2006, van de neuroloog R.S.H.M. Beijersbergen ingezonden, waarop door het Uwv is gereageerd bij brief van

26 september 2006 met bijlagen.

De Raad heeft vervolgens het Uwv desgevraagd toestemming verleend tot het instellen van een arbeidskundig onderzoek.

Bij brief van 23 januari 2007 met bijlagen heeft het Uwv de Raad omtrent de uitkomsten van dit onderzoek geïnformeerd.

Bij brief van 2 april 2007 is het standpunt van appellante - desgevraagd - nader toegelicht.

Het Uwv heeft bij brief van 24 mei 2007 met bijlagen een nadere reactie ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. drs. M.A.M.M. Verspagen, kantoorgenoot van mr. Bot, voornoemd. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. L.G.M. van der Meer.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is wegens whiplashklachten na een auto-ongeval in januari 1998 uitgevallen uit haar functie als administratief medewerkster in dienst van de Informatie Beheer Groep. Per het einde van de wettelijke wachttijd is zij in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Bij besluit van 16 september 2002 heeft het Uwv de uitkering van appellante, die op dat moment werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, met ingang van 18 september 2002 ingetrokken. Hieraan ten grondslag lag een beoordeling volgens welke bij appellante geen sprake meer is van beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek, zodat zij volledig geschikt is te achten voor het eigen maatgevende werk.

Bij besluit van 9 september 2003, hierna het bestreden besluit, is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16 september 2002 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft overwogen dat tussen partijen in geschil is of appellante arbeidsongeschikt kan worden geacht overeenkomstig de zogeheten “bijzonder geval”-jurisprudentie van de Raad. Voor het aannemen van een bijzonder geval geldt, aldus de rechtbank, volgens die jurisprudentie als (minimum)eis dat bij de (onafhankelijke) medisch deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat de verzekerde als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de betreffende arbeid te verrichten. De rechtbank heeft een dergelijk bijzonder geval ten aanzien van appellante niet aanwezig geacht, in verband waarmee zij het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond heeft verklaard.

Appellante heeft hoger beroep doen instellen. Daarbij is aangevoerd dat wel sprake is van een bijzonder geval in de hiervoor bedoelde zin.

In de loop van de procedure in hoger beroep heeft appellante, als in rubriek I vermeld, een rapport in het geding gebracht van de neuroloog Beijersbergen. Deze neuroloog heeft op basis van het door hem zelf ingestelde onderzoek alsmede op basis van door de neuropsycholoog dr. J. Bruins verricht aanvullend onderzoek, geconcludeerd dat bij appellante sprake is van een mild laat postwhiplashsyndroom met verminderde belastbaarheid van nek- en schoudergordel en dubieus wat cognitieve elementen. Naar het oordeel van Beijersbergen liggen de belangrijkste somatische en psychische beperkingen van appellante op het terrein van het werken onder interne of externe werkdruk en het verkeren in een lawaaiige, stimulusrijke omgeving, het adequaat hanteren van wisselende informatiestromen en het verrichten van duurbelastende en nek- en schouderbelastende arbeid.

De bezwaarverzekeringsarts van het Uwv heeft aanleiding gevonden om de door genoemde neuroloog aangegeven somatische beperkingen met betrekking tot nek- en schoudergordel over te nemen. Er is daartoe alsnog een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld, waarin beperkingen op dit vlak zijn aangenomen. De bezwaarverzekeringsarts heeft evenwel geen reden gezien om ook beperkingen op psychomentaal gebied aan te nemen. Die arts heeft daarbij met name laten wegen de resultaten van het ingestelde neuropsychologisch onderzoek, waarbij geen functiestoornissen bij appellante konden worden geobjectiveerd.

De bezwaararbeidsdeskundige heeft vervolgens een onderzoek, nadien nog gevolgd door aanvullend onderzoek, ingesteld bij de werkgever van appellante, met betrekking tot de aard en belastende factoren van het eigen werk van appellante en is daarbij tot de conclusie gekomen dat appellante, ook bij het licht van de opgestelde FML, voor de maatgevende functie van “medewerker examendiensten 2” volledig geschikt is te achten.

Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting stelt de Raad vast dat appellante de door haar naar voren gebrachte bezwaren van formele aard tegen de hiervoor omschreven wijziging van de motivering van het bestreden besluit in hoger beroep uiteindelijk niet heeft gehandhaafd.

Voorts stelt de Raad vast dat partijen niet (langer) van mening verschillen over de door het Uwv alsnog in aanmerking genomen lichamelijke beperkingen en evenmin over de beschrijving van aard en zwaarte van het eigen werk van appellante, zoals deze in tweede instantie door de bezwaararbeidsdeskundige is opgesteld. Naar aanleiding van de ter zitting namens appellante op deze beschrijving nog aangebrachte detaillering, overweegt de Raad dat die detaillering geen omstandigheden betreft die wezenlijk zijn voor de functiebelasting en derhalve evenmin wezenlijk voor de beoordeling of appellante al dan niet terecht voor dat eigen werk geschikt is bevonden.

Partijen worden verdeeld gehouden door de vraag of het, naast de alsnog aangenomen lichamelijke beperkingen, al dan niet aangewezen is ook bepaalde beperkingen op psychomentaal gebied aan te nemen. Appellante kan zich niet erin vinden dat de bezwaarverzekeringsarts, in afwijking van de neuroloog Beijersbergen, op dat vlak in het geheel geen beperkingen heeft willen aanvaarden.

De Raad volgt appellante niet in deze opvatting. Zoals door de neuroloog Beijersbergen in diens rapport is vermeld, konden bij neuropsychologisch onderzoek van appellante geen cognitieve afwijkingen worden geobjectiveerd. Evidente storingen, die onverkort kunnen worden toegeschreven aan cerebraal letsel, konden niet worden vastgesteld. De Raad stelt zich achter de zienswijze van de bezwaarverzekeringsarts dat, in het licht hiervan, een toereikend objectief-medisch substraat ontbreekt om niettemin - als neuroloog Beijersbergen wel heeft gedaan - zekere beperkingen op cognitief terrein van toepassing te achten. Enkel de klachten van appellante kunnen niet als een voldoende basis daartoe worden aangemerkt. In dit verband heeft de Raad ook laten wegen dat Beijersbergen zelf de aanwezigheid van cognitieve problematiek als dubieus omschrijft.

De Raad is aldus van oordeel dat de beperkingen van appellante juist zijn vastgesteld. Daarvan uitgaande is de Raad tevens van oordeel dat appellante terecht geschikt is geacht voor het eigen werk. Uit de voorliggende gegevens inzake aard en belastende aspecten van het eigen werk van appellante blijkt genoegzaam dat met de in het eigen werk voorkomende belasting de belastbaarheid van appellante, als weergegeven in de FML van 19 september 2006, niet wordt overschreden.

Onder verwijzing naar hetgeen dienaangaande reeds ter zitting is besproken, ziet de Raad evenwel aanleiding om, nu het bestreden besluit eerst in hoger beroep van een juiste motivering is voorzien, dat besluit te vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de rechtsgevolgen daarvan met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 966,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag groot

€ 1.610,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 133,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en

R.C. Stam als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J. Rentmeester als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) A.J. Rentmeester.