Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB0175

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2007
Datum publicatie
23-07-2007
Zaaknummer
05/7280 WAO e.a.
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoogte vastgestelde gedifferentieerde WAO-premie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/7280 WAO

05/7282 WAO

05/7283 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 8 november 2005, 04/886, 04/887 en 04/888 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.P.M. van Zijl, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2007. Voor appellante is verschenen mr. Van Zijl, voornoemd, en voor het Uwv is verschenen mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

Bij appellante is in dienst geweest [werknemer] (hierna: de werknemer). Het Uwv heeft bij besluit van 31 oktober 1997 met ingang van 31 december 1997 een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, toegekend aan de werknemer. Bij besluit van 20 maart 1998 is de mate van arbeidsongeschiktheid van de werknemer ongewijzigd vastgesteld op 80 tot 100% en bij besluit van 26 mei 1998 is de toegekende WAO-uitkering met ingang van 30 juni 1998 voortgezet als een vervolguitkering. Bij besluit van 4 oktober 1999 is aan de werknemer medegedeeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd op 80 tot 100% is vastgesteld en bij besluit van 8 juli 2002 is de mate van arbeidsongeschiktheid van de werknemer met ingang van 12 augustus 2002 bepaald op 65 tot 80%. Tegen de besluiten van 31 oktober 1997 en

4 oktober 1999 zijn geen rechtsmiddelen aangewend. Bij besluit van 31 mei 2002 is het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 20 maart 1998 en 26 mei 1998 ongegrond verklaard en bij besluit 13 november 2002 is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 juli 2002 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 31 oktober 2003 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 31 mei 2002 gegrond verklaard voor zover daarbij het besluit van 26 mei 1998 is gehandhaafd en het besluit van

31 mei 2002 in zoverre vernietigd. Het beroep tegen het besluit van 31 mei 2002 is voor het overige ongegrond verklaard. Voorts heeft de rechtbank bij die uitspraak het beroep tegen het besluit van 13 november 2002 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Bij besluit van 9 februari 2004 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 26 mei 1998 en 8 juli 2002 andermaal ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 8 november 2005 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 9 februari 2004 ongegrond verklaard. De Raad heeft bij uitspraak van 30 maart 2006 het hoger beroep van appellante tegen die uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 24 november 1999 heeft het Uwv de voor appellante voor 2000 geldende gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van de WAO vastgesteld op 4,68%. Bij besluit van 25 februari 2000 is het bezwaar daartegen ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 25 februari 2000 bij uitspraak van 1 december 2000 gegrond verklaard voor zover bij de vaststelling van de gedifferentieerde premie voor 2000 de in 1998 aan de werknemer verstrekte WAO-uitkering is betrokken en dat besluit in zoverre vernietigd. De Raad heeft het hoger beroep tegen die uitspraak niet-ontvankelijk verklaard. Bij besluit van 30 augustus 2002 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 24 november 1999 andermaal ongegrond verklaard.

Bij besluit van 28 november 2000 heeft het Uwv de voor appellante voor 2001 geldende gedifferentieerde WAO-premie vastgesteld op 2,67%. Bij besluit van 28 mei 2001 is het bezwaar tegen het besluit van 24 november 2000 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 26 november 2001 heeft het Uwv de voor appellante voor 2001 geldende gedifferentieerde WAO-premie vastgesteld op 3,04%. Bij besluit van 15 augustus 2002 is het bezwaar tegen het besluit van 26 november 2001 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 oktober 2003 heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het besluit van 30 augustus 2002 deels gegrond en deels ongegrond en het beroep tegen de besluiten van 28 mei 2001 en

15 augustus 2002 gegrond verklaard en de besluiten van 28 mei 2001, 15 augustus 2002 en 30 augustus 2002 vernietigd. In deze uitspraak is berust door beide partijen.

Bij drie afzonderlijke besluiten van 17 maart 2004 heeft het Uwv het bezwaar tegen de besluiten van 24 november 1999, 28 november 2000 en 26 november 2001 andermaal ongegrond verklaard. Het beroep tegen die besluiten is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

In hoger beroep is namens appellante met name aangevoerd dat het het Uwv, gelet op de uitspraak van de rechtbank van 31 oktober 2003, niet meer vrij staat de aan de werknemer vanaf 30 juni 1998 betaalde WAO-uitkering te betrekken bij de berekening van de voor appellante voor 2000, 2001 en 2002 geldende gedifferentieerde WAO-premie.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In de uitspraak van 31 oktober 2003 heeft de rechtbank de besluiten van 28 mei 2001,

15 augustus 2002 en 30 augustus 2002 vernietigd en aan het Uwv opdracht gegeven met inachtneming van die uitspraak opnieuw te beslissen op de bezwaren van appellante. De vernietiging van die besluiten door de rechtbank is ingegeven door de overweging dat rechtmatigheid van de betaling van de WAO-uitkering aan de werknemer over de periode van 30 juni 1998 tot en met 31 december 2000 op dat moment, mede gezien de andere hiervoor genoemde uitspraak van 31 oktober 2003 van de rechtbank, niet vast stond.

Appellante heeft zich beroepen op een tweetal overwegingen van de rechtbank in de uitspraak van 31 oktober 2003. Deze overwegingen kunnen naar het oordeel van de Raad niet los worden gezien van de andere overwegingen van de rechtbank. Het totaal van de overwegingen van de rechtbank in de uitspraak van 31 oktober 2003 laat naar het oordeel van de Raad geen andere conclusie toe dan dat de rechtbank, gegeven de door haar destijds vastgestelde motiveringsgebreken die kleefden aan de besluiten tot voortzetting van de WAO-uitkering vanaf 30 juni 1998 tot en met 31 december 2000, van oordeel was dat onder die omstandigheden de betaling van de WAO-uitkering aan de werknemer over die periode niet betrokken mocht worden bij de vaststelling van de voor appellante geldende gedifferentieerde WAO-premie. Hierin kan niet worden gelezen, zoals door appellante is betoogd, dat het het Uwv, na eventueel herstel van de aan de betaling van de WAO-uitkering klevende motiveringsgebreken, niet meer zou vrijstaan de vanaf

30 juni 1998 tot en met 31 december 2000 aan de werknemer betaalde WAO-uitkering te betrekken bij de voor appellante voor 2000, 201 en 2002 geldende gedifferentieerde WAO-premie. De door de rechtbank aan de besluiten tot voortzetting van de WAO-uitkering klevende motiveringsgebreken mochten hersteld worden en zijn ook door het Uwv hersteld. In verband hiermee heeft de rechtbank terecht geconstateerd dat de rechtmatigheid van de aan de betaling van de WAO-uitkering aan de werknemer over de periode van 30 juni 1998 tot en met 31 december 2000 ten grondslag liggende vaststaat. Onder die omstandigheden is de Raad van oordeel dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak terecht in het door appellante aangevoerde geen grond voor vernietiging van de besluiten van 17 maart 204 heeft gezien.

Gegeven de vernietigingsgronden die de rechtbank in de uitspraak van 31 oktober 2003 heeft gehanteerd, en waarin partijen hebben berust, vergt het gezag van die rechterlijke uitspraak dat in het vervolg van de procedure wordt uitgegaan van de juistheid van de aan de vernietiging ten grondslag gelegde overwegingen. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank zich dan ook terecht gehouden geacht de rechtmatigheid van de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van de werknemer per 30 juni 1998 in haar beoordeling te betrekken. Van schending van het bepaalde in artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht, zoals ter zitting is betoogd namens appellante, is dan ook geen sprake.

Van schending van het in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde beginsel van “equality of arms” is naar het oordeel van de Raad geen sprake. Appellante heeft de mogelijkheid gehad op te komen tegen de voortzetting van de WAO-uitkering aan de werknemer vanaf 30 juni 1998 en daarom over de rechtmatigheid van die uitkering het oordeel van de rechter kunnen laten uitspreken. Die rechtmatigheid is vervolgens betrokken bij de toetsing van de hier aan de orde zijnde premiebesluiten. Van ongelijkheid in de procespositie van partijen is dan ook naar het oordeel van de Raad geen sprake.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en

N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2007.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) D. Olthof.

JK11072007