Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB0129

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-07-2007
Datum publicatie
23-07-2007
Zaaknummer
06-1738 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Begrip eigen huishouding in de zin van het VKBM; hardheidsclausule.

Wetsverwijzingen
Verplaatsingskostenbesluit militairen 1
Verplaatsingskostenbesluit militairen 1
Verplaatsingskostenbesluit militairen 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2008/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1738 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 februari 2006, 04/4595 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Commandant Zeestrijdkrachten als rechtsopvolger van de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten (hierna: commandant)

Datum uitspraak: 12 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De commandant heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2007. Appellant is verschenen met bijstand van mr. O.W. Borgeld, juridisch adviseur te Bentveld. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.A.D. Berkhuizen, werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. In het hierna volgende verstaat de Raad onder commandant in voorkomende gevallen (mede) de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten als diens rechtsvoorganger.

2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant was, ten tijde hier van belang, luitenant ter zee van speciale diensten der tweede klasse kort verband. Op 5 januari 2004 heeft appellant de commandant verzocht hem aan te merken als militair met een eigen huishouding in de zin van artikel 1, aanhef en onder h, van het Verplaatsingskostenbesluit militairen (VKBM). Dit verzoek is bij besluit van 27 januari 2004 afgewezen, aangezien niet werd voldaan aan de gestelde voorwaarden voor het voeren van een eigen huishouding. Appellant heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.

2.2. Vervolgens heeft appellant op 3 februari 2004 verzocht hem in afwijking van artikel 1, aanhef en onder h, van het VKBM met toepassing van de hardheidsclausule van artikel 28 van het VKBM aan te merken als militair met een eigen huishouding. Bij besluit van 4 mei 2004 is ook dit verzoek afgewezen. Dit besluit is, na bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 28 oktober 2004.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. Naar aanleiding van hetgeen door partijen in hoger beroep naar voren is gebracht overweegt de Raad het volgende.

4.1. De Raad stelt vast dat appellant heeft berust in het besluit van 27 januari 2004, waarbij werd vastgesteld dat hij niet voldeed aan de gestelde voorwaarden, waaronder het beschikken over eigen stoffering, voor het voeren van een eigen huishouding. Daarmee staat de uitleg die de commandant in het onderhavige geval heeft gegeven aan de woorden “eigen meubilair en stoffering” in artikel 1, aanhef en onder h, van het VKBM vast. De Raad gaat dan ook voorbij aan de grief dat de commandant een onjuiste uitleg heeft geven aan deze woorden.

Het onderhavige geding beperkt zich derhalve tot de grief dat de commandant het beroep op de hardheidsclausule van artikel 28 van het VKBM ten onrechte heeft afgewezen.

4.2. Op grond van artikel 28 van het VKBM is de commandant bevoegd voorzover nodig in afwijking van de bij of krachtens dit besluit gestelde regelen te beslissen in individuele gevallen, waarin deze regelen naar zijn oordeel niet of niet naar redelijkheid voorzien.

Voor een succesvol beroep op een hardheidsbepaling is volgens vaste rechtspraak van de Raad vereist dat sprake is van een bijzonder geval.

4.3. Appellant heeft allereerst gewezen op de bijzonderheid dat het hier gaat om voortzetting van de bewoning van dezelfde ruimte die hij reeds tijdens een eerdere stage bewoonde in de gemeente van zijn plaatsing. Nu de verhuurder reeds voorzien had in stoffering en niet toestond dat deze werd vervangen door eigen stoffering van appellant, was het voor appellant niet meer mogelijk volledig te voldoen aan de vereisten voor een eigen huishouding in zin van artikel 1, aanhef en onder h, van het VKBM.

Naar het oordeel van de Raad vormt genoemde omstandigheid onvoldoende grond om van een bijzonder geval te spreken. Namens de commandant is er niet ten onrechte op gewezen dat het appellants eigen keuze is geweest, deze woonruimte te blijven bewonen, ofschoon hij wist of had kunnen weten dat deze niet aan de criteria voor het voeren van een eigen huishouding voldeed. Ook de omstandigheid dat appellant, als jong militair, over (te) weinig financiële middelen beschikte om naar een woning te verhuizen die wel aan de eisen voldeed acht de Raad met de commandant niet zo bijzonder dat toepassing van de hardheidsclausule aangewezen was. Hetzelfde geldt voor het beschikken over eigen meubilair en een eigen telefoonaansluiting, alsmede voor de inschrijving als zelfstandig bewoner bij de gemeente.

4.4. Appellant heeft voorts gewezen op een drietal verklaringen waaruit zou blijken dat bij andere dienstonderdelen minder strikt de hand wordt gehouden aan de eis van eigen stoffering.

De Raad deelt het oordeel van de commandant dat uit bedoelde verklaringen niet is af te leiden dat stelselmatig een andere toepassing wordt gegeven aan het begrip eigen huishouding. Het feit dat het bij de uitvoering elders in een enkel geval soms minder nauw wordt genomen met de eis van (volledig) eigen stoffering, brengt nog niet mee dat de commandant op grond van het gelijkheidsbeginsel gehouden zou zijn tot continuering van deze door hem als onjuist aangemerkte toepassing en dat hij op die grond in het geval van appellant de hardheidsclausule had moeten toepassen.

4.5. Tenslotte heeft appellant nog gewezen op artikel 2, eerste lid, van de procedureregels KM bij het VKBM, waaruit blijkt dat het bij meer-persoonshuishoudens in bepaalde gevallen niet vereist is dat een militair volledig eigenaar is van de stoffering om niettemin als “eigen huishouding” te kunnen worden aangemerkt.

De Raad volgt de commandant in diens verweer, dat de situatie van meer-persoonshuis-houdens zozeer verschillend is van die van appellant dat daarnaar niet met succes verwezen kan worden om toepassing van de hardheidsclausule te bepleiten. De Raad wijst er overigens nog op, dat in de bepaling waarop in dit verband door appellant een beroep wordt gedaan de eis wordt gesteld dat alle bewoners verklaren mede-eigenaar te zijn van het meubilair en de stoffering, terwijl appellant zelfs niet als mede-eigenaar van de in zijn woonruimte aanwezige stoffering kan worden aangemerkt. Ook in dit opzicht is derhalve sprake van verschillende situaties.

5. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R. Kooper en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2007.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) O.C. Boute.

HD

04.07