Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB0114

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-07-2007
Datum publicatie
23-07-2007
Zaaknummer
06-3359 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Internetgebruik op de werkplek. Schorsing en strafontslag.

Wetsverwijzingen
Algemeen Rijksambtenarenreglement, geldigheid: 2007-07-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2008/7
ABkort 2007/423

Uitspraak

06/3359 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 18 mei 2006, 05/2933 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: minister)

Datum uitspraak: 19 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2007. Van de zijde van appellant is, zoals tevoren aangekondigd, niemand verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.E. Peters-van Rijn en N.J.J. van Leeuwen, beiden werkzaam bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam als [naam functie] bij de directie [naam directie] (hierna: [directie]) van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Na signalen van medewerkers van [directie] is appellant in september 2003 door het hoofd [directie] aangesproken op zijn internetgedrag. In december 2003 heeft het hoofd [directie] appellant aangesproken op het raadplegen van zijn privé-e-mailaccount op het werk. Appellant is tevens meegedeeld dat zijn internetgedrag de komende periode zal worden gevolgd.

1.2. Naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek naar appellants internetgedrag is hij bij besluit van 30 maart 2004 met onmiddellijke ingang geschorst. Tevens is appellant meegedeeld dat het voornemen bestaat hem disciplinair ontslag te verlenen. Appellant heeft op 1 april 2004 de gelegenheid gekregen om zich te verantwoorden. Bij besluit van 1 april 2004, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 31 maart 2005, is aan appellant met ingang van 2 april 2004 wegens ernstig plichtsverzuim de disciplinaire straf van ontslag opgelegd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen, kort gezegd, dat appellant zich heeft beziggehouden met het bezoeken van niet-werk-gerelateerde websites. Voorts is overwogen dat e-mailberichten zijn overgelegd, die appellant vanaf zijn werkplek heeft verzonden en op zijn werkplek heeft ontvangen. Deze berichten zijn - in ieder geval deels - gericht aan (zeer) jonge meisjes en hebben een erotische lading. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dit internetgebruik terecht aangemerkt als zeer ernstig plichtsverzuim. De rechtbank heeft verder overwogen dat er geen reden is om appellants gedrag niet toerekenbaar te achten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht overwogen dat appellant met zijn e-mailgedrag het ministerie in diskrediet had kunnen brengen. De zwaarte van de straf kon voorts de toetsing van de rechtbank doorstaan.

3. De Raad onderschrijft dit oordeel en de gronden waarop de rechtbank haar oordeel heeft gebaseerd. Naar aanleiding van hetgeen namens appellant in hoger beroep naar voren is gebracht overweegt de Raad nog het volgende.

3.1. De Raad overweegt dat hij appellant niet kan volgen in zijn stelling dat het hem niet goed duidelijk is geweest voor welk gedrag hij zich diende te verantwoorden. De Raad merkt hierbij op dat appellant op 30 maart 2004 een gesprek heeft gehad met de toenmalige directeur Algemene Zaken en het hoofd [directie]. Uit een verslag van dit gesprek, dat appellant direct na het gesprek is overhandigd, blijkt dat hem daarbij is meegedeeld op grond van welke feiten en omstandigheden besloten is hem met onmiddellijke ingang te schorsen. Voorts is op 30 maart 2004 aan appellant een besluit van diezelfde datum uitgereikt inhoudende de schorsing van appellant en het voornemen hem te ontslaan, waarbij duidelijk is aangegeven welke gedragingen hieraan ten grondslag liggen.

3.2. Ten aanzien van appellants grief dat hij onvoldoende tijd heeft gehad om zich voor te bereiden op het verantwoordingsgesprek overweegt de Raad dat het Algemeen Rijksambtenarenreglement geen bepaling kent op grond waarvan een bepaalde termijn in acht dient te worden genomen vooraleer zo’n gesprek mag plaatsvinden. De Raad stelt voorts vast dat appellant zich tijdens het verantwoordingsgesprek niet heeft beklaagd over de termijn gelegen tussen de brief van 30 maart 2004 waarin hem het voornemen tot ontslag werd meegedeeld en het verantwoordingsgesprek. Nu appellant zich voorts in de bezwaarprocedure nog verder schriftelijk en mondeling heeft kunnen verantwoorden kan deze grief niet slagen.

3.3. Appellant heeft erkend dat de in rechtsoverweging 2. weergegeven gedragingen hebben plaatsgevonden en dat er sprake is van strijd met de gedragscodes zoals die binnen het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gelden. De Raad onderschrijft niet appellants stelling dat een onjuiste indruk is gewekt van de omvang van appellants internetgedrag. Uit het onderzoek dat vanwege de minister is gedaan blijkt dat appellant tijdens werktijd en vanaf de computer op zijn werk veelvuldig niet-werk-gerelateerde chatboxen en datingsites heeft bezocht. Appellants stelling dat hij niet daadwerkelijk uren actief aan het internetten was, vindt geen steun in de gedingstukken. Anders dan appellant is de Raad voorts van oordeel dat appellant aldus het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in diskrediet heeft gebracht.

3.4. Appellant heeft geen gegevens overgelegd op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat de aan appellant verweten gedragingen hem niet toegerekend kunnen worden. De minister was dus bevoegd appellant een disciplinaire straf op te leggen.

3.5. Anders dan appellant acht de Raad, gezien de aard en ernst van de gedragingen, het bij het bestreden besluit gehandhaafde ontslagbesluit niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. De Raad kan appellant niet volgen in zijn stelling dat de minister door de traagheid waarmee is gereageerd op appellants gedrag de bevoegdheid heeft verloren om strafontslag op te leggen. Appellant is meerdere keren aangesproken op zijn internet-gedrag, waarna in december 2003 besloten is zijn internetgebruik te volgen. Toen in maart 2004 de uitkomsten van dit onderzoek bekend werden, is direct gereageerd. Dat appellant kennelijk een lange staat van dienst had, vormt voor de Raad onvoldoende grond om het strafontslag onevenredig te achten.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en K. Zeilemaker en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.H. van Baalen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2007.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) M.J.H. van Baalen.

HD

04.07