Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB0086

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-07-2007
Datum publicatie
23-07-2007
Zaaknummer
05-4122 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAZ-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4122 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 20 mei 2005, 04/202 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.A. van Lammeren, advocaat te Enschede, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van appellant heeft op 16 november 2006 een ongedateerde brief van appellant overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2007.

Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.G.G. Schoonderbeek.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, die vanaf 1979 werkzaam was als zelfstandige tegelbakker, is naar aanleiding van een ziekmelding op 2 februari 1990 vanwege psychische klachten met ingang van

1 februari 1991 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een herbeoordeling is deze uitkering met ingang van 1 november 1995 ingetrokken.

Appellant heeft vervolgens bij het Uwv een op 23 april 2003 gedateerde aanvraag ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) ingediend, waarin hij als eerste arbeidsongeschiktheidsdag oktober 2001 heeft vermeld vanwege klachten van wegvallen, zware vermoeidheid en hoofdpijn. Naar aanleiding van deze aanvraag is appellant op 19 augustus 2003 onderzocht door de verzekeringsarts

B. van Dijk. In zijn rapport van dezelfde datum concludeert Van Dijk, na de medische voorgeschiedenis van appellant samengevat te hebben weergegeven en na onderzoek, dat de huidige bevindingen volledig bij die voorgeschiedenis passen en dat bij appellant onveranderd sprake is van voornamelijk psychische stoornissen die in het verleden leidde tot het volmaken van de wachttijd. Volgens Van Dijk is duidelijk dat mogelijk kortdurend een toename van klachten en beperkingen is opgetreden vanaf oktober 2001 maar dat hij zeker geen 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. Van Dijk ontving door hem opgevraagde informatie van 5 september 2003 van de psycholoog M. Heitink, bij wie appellant sinds eind januari 2003 in behandeling was op verwijzing van de huisarts. Volgens deze informatie was sprake van een forse neurasthene decompensatie of burnout bij een persoon met duidelijk obsessief-compulsieve trekken. In zijn rapport van

10 september 2003 gaf Van Dijk aan dat de door Heitink beschreven klachten dezelfde zijn als in oktober 2001 en daarvoor, waarmee niet aannemelijk is dat er vanaf

oktober 2001 sprake is geweest van een toename gedurende 52 weken van klachten en beperkingen, zoals weergegeven bij de herbeoordeling in 1995. In lijn hiermee weigerde het Uwv bij besluit van 21 oktober 2003 aan appellant de gevraagde WAZ-uitkering.

In de bezwaarprocedure ontving de bezwaarverzekeringsarts E. Khoe informatie van de huisarts van appellant van 4 februari 2004. Hierin werd vermeld dat de internist Van Berkum, naar wie appellant op 16 mei 2000 was verwezen, op 29 september 2000 berichtte dat de sinds 1988 bij appellant bestaande hypertensie met medicatie redelijk onder controle was en dat de neuroloog Tacke, naar wie appellant op 9 november 2001 vanwege wisselende rugklachten sinds drie jaar was verwezen, op 7 februari 2002 berichtte dat als diagnose was gesteld idiopathische lumbago en dat er geen indicatie was voor verder beeldvormend onderzoek. Vervolgens beargumenteerde Khoe in een rapport van 10 februari 2004 uitvoerig waarom er naar zijn mening op en rond de datum in geding bij appellant vanwege een klassieke burnout geen sprake was van ziekte of gebrek in de zin van de WAZ. Hierna verklaarde het Uwv bij besluit van 26 februari 2004 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 oktober 2003 ongegrond, daarbij stellende dat appellant sedert 1 oktober 2001 de wachttijd van 52 weken niet had doorgemaakt.

In de beroepsprocedure tegen het besluit van 26 februari 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant nadere medische stukken alsmede algemene informatie over longziekten overgelegd in verband met zijn standpunt dat zijn vanwege het Uwv wel reeds op de hoorzitting van 13 januari 2004 vermelde, maar niet onderzochte longklachten zijn terug te voeren naar de periode bij het bestreden besluit in geding. Deze nadere medische stukken betroffen onder andere een ongedateerde brief van de radiodiagnost C.M. Stassen aan de internist Van Berkum met informatie over een thorax-onderzoek op 5 juli 2000. Stassen, die wees op vergelijkend onderzoek op

29 januari 1999, stelde vast dat beide longen versterkte bronchovasculaire interstitiële tekening vertoonden en concludeerde dat er sprake was van een nagenoeg onveranderd beeld, namelijk pre-existente longafwijkingen passend bij een rokerslong. Van deze medische stukken maakten ook deel uit brieven van de revalidatie-arts D. Wever van het revalidatiecentrum “Het Roessingh” te Enschede van 20 september 2004 en

2 december 2004 inzake de revalidatiedagbehandeling van appellant van 7 juni tot en met 3 september 2004 wegens de diagnose obstructief longlijden. Eerstgenoemde brief bevatte een verwijzing naar een orthopedisch chirurg wegens tijdens de revalidatie gebleken knieklachten, terwijl in de tweede brief de huisarts werd geïnformeerd omtrent die revalidatie. Verder bevatte deze stukken nog een antwoord van een zogenoemde internetdokter van 19 november 2004 op een vraagstelling van appellant inzake COPD. Dit antwoord hield in dat een klinische diagnose COPD niet kan worden gesteld door een röntgenfoto, dat interstitiële tekening niet erg kenmerkend is voor COPD maar kan wijzen op een interstitiële aandoening en dat een longfunctieonderzoek noodzakelijk is als appellant precieze uitsluitsel wenst.

Deze informatie beprak Khoe in zijn rapport van 18 januari 2005 en gaf hem geen aanleiding zijn eerdere standpunt te herzien.

Inzake deze informatie en het standpunt van Khoe overwoog de rechtbank in de aangevallen uitspraak, waarin zij het beroep van appellant ongegrond verklaarde en na de vaststelling dat in de informatie van de huisarts van 4 februari 2002 niet wordt gerept over de constatering van COPD, als volgt:

“Eiser heeft de rechtbank dienaangaande diverse nadere (medische) stukken doen toekomen. De bezwaarverzekeringsarts heeft hierop op 18 januari 2005 commentaar geleverd. Daarin heeft hij opgemerkt dat uit de in het kader van de bezwaarprocedure opgevraagde informatie van de huis-arts van 4 februari 2004 geen ernstige en beperkende longklachten naar voren komen betreffende de in het geding zijnde periode. Voorts geeft de bezwaarverzekeringsarts aan dat uit de informa-tie van Het Roessingh blijkt dat er sprake is van longklachten bij roken en deconditionering. Dit beeld wordt volgens de bezwaarverzekeringsarts echter pas in 2004 beschreven en zegt derhalve niets over het geobjectiveerde beeld in 2001 en 2002. Daarbij merkt de bezwaarverzekeringsarts op dat overigens uit de informatie van Het Roessingh blijkt dat er meer sprake is van inadequaat gedrag en conditieverlies dan van geobjectiveerde medische stoornissen. De bezwaarverzeke-ringsarts ziet dan ook geen enkele reden om per de in geding zijnde periode structurele beper-kingen op grond van invaliderende longklachten aan te nemen. Wat betreft de uitslag van 5 juli 2000 van beeldvormende diagnostiek geeft de bezwaarverzekeringsarts aan dat de echo van de bovenbuik geen afwijkingen laat zien en dat de röntgenfoto van de thorax pre-existentiële (inter-stitiële) longafwijkingen passend bij een rokerslong vermeldt. Volgens de bezwaarverzekerings-arts zegt deze uitslag van een röntgenfoto echter niets over het klinische beeld en de daarbij aan te nemen beperkingen. Wat betreft de correspondentie met de 'internet-dokter' merkt de be-zwaarverzekeringsarts op aan dat deze aangeeft dat de interstitiële tekening op een aantal ziekte-beelden zou kunnen wijzen waaronder sarcoïdose. Deze diagnose is dus niet gesteld, aldus de bezwaarverzekeringsarts. De ingebrachte stukken geven de bezwaarverzekeringsarts dan ook geen aanleiding om zijn visie zoals verwoord in zijn eerdere rapportages te herzien. Ter zitting geeft verweerder daarbij nog aan dat de bezwaarverzekeringsarts in de op 15 april 2005 inge-brachte nadere stukken ook geen reden ziet om zijn visie omtrent. eisers beperkingen te herzien. Er is geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden over de in het geding zijnde periode.

De rechtbank kan zich verenigen met de visie van de bezwaarverzekeringsarts. In ieder geval is de rechtbank niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de juistheid van de zienswijze van de bezwaarverzekeringsarts ten aanzien van de longbeperkingen die eiser ondervindt. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat blij-kens de nadere stukken de klachten van C.O.P.D. hoesten, kortademigheid en gaandeweg ver-moeidheid zijn. Blijkens de informatie van eisers huisarts van 4 februari 2004 waren eisers klachten omstreeks de periode hier in het geding echter hypertensie, rugklachten en wegvallen (syncope). Blijkens de informatie van de psycholoog Heutink van 5 September 2003 was sprake van vermoeidheid en weinig energie.

De rechtbank acht het voorts van belang dat eiser met de nader overgelegde stukken niet heeft aangetoond dat hij in betrokken periode (oktober 2001 tot oktober 2002) C.O.P.D.-gerelateerde klachten had waarmee bij de onderhavige beoordeling rekening had moeten worden gehouden. De rechtbank wil aan de ernst van eisers klachten niets afdoen, maar heeft onvoldoende aankno-pingspunten gevonden om te veronderstellen dat met zijn klachten in de periode hier in het ge-ding onvoldoende rekening is gehouden.”

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant gesteld dat de huisarts in

december 2003 de diagnose chronische COPD heeft gesteld, dat appellant is doorverwezen naar de longarts, die op 29 april 2004 een longfunctieonderzoek verrichtte, dat de longarts appellant na longfunctie-onderzoek en vervolgonderzoek verwees naar revalidatiebehandeling bij “Het Roessingh”, dat appellant op de hoorzitting de verwijzing naar de longarts voor longfunctieonderzoek toonde en aldaar melding maakte van de vaststelling van COPD. Uit een en ander valt volgens de gemachtigde af te leiden dat de conclusies van Khoe onjuist zijn en dat appellant reeds in juli 2000 leed aan COPD.

In het verweerschrift is het standpunt terzake van Khoe opgenomen. Dit houdt in dat het beeld op een röntgenfoto weinig zegt over het klinisch beeld en de functie van de longen en dat het feit dat er betreffende de in geding zijnde periode geen sprake is van objectief medische gegevens in de zin van een afwijkende uitslag van een longfunctieonderzoek, de aanwezigheid van ernstig beperkende longproblematiek in de in geding zijnde periode niet aannemelijk maakt.

De Raad heeft in hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep is aangevoerd geen aanknopingspunt gezien om het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. De Raad overweegt daartoe dat, wat ook zij van de vraag of de huisarts reeds in december 2003 de diagnose COPD heeft gesteld – van de zijde van appellant is hiervan geen bevestiging van de huisarts overgelegd en, zoals Khoe en de rechtbank vaststelde, bevatte de aan Khoe door de huisarts verstrekte informatie van 4 februari 2002 hieromtrent geen mededelingen, terwijl de in hoger beroep overgelegde aanvraag longfunctieonderzoek niet gedateerd is –, met Khoe en de rechtbank uit de beschikbare medische informatie uit 2004 niet valt op te maken dat ten tijde van de periode in geding appellant reeds in verband met longproblematiek ernstig beperkt was. Dit valt naar het oordeel van de Raad ook niet af te leiden uit de in hoger beroep overgelegde brief van de huisarts van 25 maart 2005 aan appellant, waarin is opgenomen informatie van Van Berkum van 31 december 2004. In deze brief is het volgende vermeld:

“Ik begrijp dat hij ook bij de longarts loopt en dat er nogal wat problemen zijn over zijn long en oudere foto’s. Het is me niet helemaal duidelijk wat er nu precies gaande is. Patient denkt zeif dat hij vroeger een sarcoïdose heeft doorgemaakt. Op de foto die wij in het verleden hebben gemaakt werd eerder een COPD en het beeld van een rokerslong gezien. Hij heeft altijd in een stoffige omgeving gewerkt en veel gerookt. Van onze kant geen nienwe gezichtspunten.”

Anders dan de gemachtigde van appellant meent, valt uit deze passage, bezien in haar onderling verband, niet althans niet zonder meer af te leiden dat Van Berkum naar aanleiding van de foto’s uit 2000 de diagnose COPD heeft gesteld. De Raad laat hierbij verder daar de vraag of het stellen van een dergelijke diagnose niet eerder op de weg van een longarts had gelegen en welke betekenis die enkele diagnose zou hebben gehad voor het aannemen van beperkingen in de in geding zijnde periode.

Uit al het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad merkt naar aanleiding van het verhandelde ter zitting, waarin appellant meldde dat hij voor verder onderzoek en behandeling is doorverwezen naar het Universitair Longcentrum Dekkerswald te Nijmegen en dat in de tweede helft van augustus 2007 aldaar een vervolgintake zal plaatsvinden, op dat het appellant vrijstaat om, indien uit dit onderzoek nadere relevante medische gegevens met betrekking tot ook de periode bij het bestreden besluit in geding naar voren komen, zich met een verzoek om terug te komen van het bestreden besluit te wenden tot het Uwv.

De Raad overweegt ten slotte dat er geen aanleiding bestaat voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.M. Okyay-Bloem als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2007.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.

MK