Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB0073

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-07-2007
Datum publicatie
23-07-2007
Zaaknummer
05-1053 AW en 05-5923 AW en 06-274 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

FPU+ arrangement alleen voor ambtenaren van 57 en ouder.

Wetsverwijzingen
Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid 7
Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid 7
Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid 8
Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2007, 108
TAR 2008/3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1053 AW en 05/5923 AW en 06/274 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellant 1], wonende te [woonplaats 1],

[appellant 2], wonende te [woonplaats 2], en

[appellant 3], wonende te [woonplaats 3], (hierna: appellanten),

tegen de uitspraken van respectievelijk de rechtbank Leeuwarden van 25 januari 2005, 04/650, de rechtbank Breda van 24 augustus 2005, 05/357 en de rechtbank Assen van 21 november 2005, 04/1225 (hierna: aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

de Staatssecretaris van Financiën (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 12 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft verweerschriften ingediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld en het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2006. Appellanten zijn in persoon verschenen, bijgestaan door prof. dr. E. Lutjens, advocaat te Amsterdam. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door L.P. de Jonge, werkzaam bij de Belastingdienst.

Na de behandeling ter zitting is het onderzoek heropend, omdat het onvolledig was geweest. Partijen hebben de gelegenheid gekregen hun standpunten op een door de Raad aangegeven onderdeel nader te onderbouwen, van welke gelegenheid zij gebruik hebben gemaakt.

Na daartoe van partijen toestemming te hebben gekregen heeft de Raad bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft hij het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten, geboren op respectievelijk [in] 1948, [in] 1949 en [in] 1949, zijn werkzaam bij de Belastingdienst, in groepsfunctie I.

1.2. Bij circulaire van 8 april 2004, Stcrt. 21 juni 2004, nr. 115 (hierna: Circulaire), heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het in maart 2004 met de sociale partners overeengekomen sociaal flankerend beleid in de sector Rijk voor de periode 1 maart 2004 tot 1 januari 2008 bekendgemaakt. Onderdeel daarvan is het zogeheten FPU-arrangement. Dit arrangement bestaat uit een aanvulling op de FPU-uitkering tot 70% van de FPU-berekeningsgrondslag gedurende maximaal acht jaar en/of een 50% voortzetting van de pensioenopbouw gedurende maximaal vier jaar op kosten van de werkgever. Voor ambtenaren van 55 of 56 jaar geldt de component van voortzetting van pensioenopbouw op kosten van de werkgever niet. Dit beleid is nadien neergelegd in een regeling: het Tijdelijk Besluit sociaal flankerend beleid sector Rijk 2004 van 31 december 2004, Stb. 2005, 29.

1.3. Aan de Belastingdienst is bij het Strategisch Akkoord en het Hoofdlijnenakkoord van de eerste kabinetten Balkenende een reductie van arbeidsplaatsen opgelegd van 3.450 fte per eind 2007. Met het oog daarop heeft de staatssecretaris in overeenstemming met het Georganiseerd Overleg Belastingdienst binnen de kaders van het hiervoor vermelde rijksbrede sociaal flankerend beleid op 10 mei 2004 een Tijdelijke regeling FPU+ arrangement (hierna: FPU+ arrangement) vastgesteld. Op grond van deze Tijdelijke regeling komen FPU-gerechtigde ambtenaren van de Belastingdienst die geboren zijn vóór 1 januari 1948 gedurende een periode van maximaal 8 jaar in aanmerking voor een aanvulling op de FPU-uitkering tot 70% van de FPU-berekeningsgrondslag en een gedeeltelijke voortzetting van de pensioenopbouw geheel voor rekening van de werkgever.

Gevoegd bij een uitstroom wegens natuurlijk verloop van gemiddeld 2% per jaar zou daarmee volgens de staatssecretaris de noodzakelijke reductie van arbeidsplaatsen van 3.450 fte eind 2007 worden behaald.

1.4. Appellanten hebben verzocht in aanmerking te worden gebracht voor het FPU+ arrangement. Die verzoeken zijn door de staatssecretaris bij besluiten van respectievelijk 13 januari 2004, 24 mei 2004 en 2 augustus 2004 afgewezen, omdat appellanten na 1 januari 1948 zijn geboren en dus ten tijde van belang jonger waren dan 57 jaar. Deze besluiten zijn na bezwaar gehandhaafd bij de bestreden besluiten van 27 april 2004 en 30 december 2004.

2. Bij de aangevallen uitspraken hebben de rechtbanken de beroepen van appellanten tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Zij hebben daartoe onder meer overwogen dat het FPU+ arrangement moet worden aangemerkt als een pensioen-voorziening in de zin van artikel 8, eerste lid, van de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (Wgbla), zodat het verbod van onderscheid op grond van leeftijd ingevolge artikel 8, tweede lid, van de Wgbla niet van toepassing is.

3. Ook in hoger beroep stellen appellanten zich op het standpunt dat de staatssecretaris ongeoorloofd onderscheid op grond van leeftijd maakt door het FPU+ arrangement alleen aan te bieden aan ambtenaren geboren vóór 1 januari 1948. Appellanten hebben zich in dit verband onder andere beroepen op de Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (hierna: Richtlijn), alsmede de ter uitvoering van deze Richtlijn dienende Wgbla. Appellanten zijn van oordeel dat genoemd onderscheid niet op redelijke en objectieve gronden berust, zodat de uitzonderingsbepaling van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wgbla niet van toepassing is. Daarnaast zijn appellanten van mening dat het FPU+ arrangement geen pensioenvoorziening is in de zin van artikel 8, eerste lid, van de Wgbla, zodat de uitzonderingsbepaling van artikel 8, tweede lid, van de Wgbla evenmin van toepassing is.

4. Naar aanleiding van hetgeen door partijen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad als volgt.

4.1. De Raad zal zich eerst uitlaten over de vraag of de staatssecretaris ongeoorloofd onderscheid op grond van leeftijd heeft gemaakt door het FPU+ arrangement uitsluitend aan te bieden aan werknemers van de Belastingdienst van 57 jaar of ouder.

4.2. In artikel 3, aanhef en onder e, van de Wgbla is bepaald dat onderscheid op grond van leeftijd verboden is bij de arbeidsvoorwaarden. In artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wgbla is bepaald dat het verbod van onderscheid op grond van leeftijd niet geldt indien het onderscheid objectief gerechtvaardigd is door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.

4.3. De Raad stelt allereerst vast dat aan het FPU+ arrangement een legitiem doel ten grondslag ligt, te weten het verminderen van het aantal arbeidsplaatsen volgens het hiervoor onder 1.2. genoemde regeerakkoord, met voorkoming, zoveel mogelijk, van gedwongen ontslagen. Aan dit doel ontbreekt ieder oogmerk van verboden onderscheid.

4.4.1. Als middel om dit doel te bereiken heeft de staatssecretaris het FPU+ arrangement uitsluitend aangeboden aan werknemers van 57 jaar en ouder. Met betrekking tot de passendheid van dit middel overweegt de Raad dat de hiervoor onder 1.2. genoemde Circulaire van 8 april 2004 het bevoegd gezag een ruime bevoegdheid geeft bij de vaststelling van de wijze waarop het FPU-arrangement wordt uitgevoerd. Dat de Circulaire de mogelijkheid opent om ook aan 55- en 56-jarigen een FPU-arrangement toe te kennen betekent niet dat de staatssecretaris ook daartoe gehouden is. Het enkele feit dat de staatssecretaris een leeftijdsgrens heeft gesteld bij 57 jaar, terwijl een ongewenst hoge uitstroom mogelijk ook op andere wijze voorkomen kan worden, maakt dat middel niet bij voorbaat ongeschikt.

4.4.2. Ter onderbouwing van de beslissing om het FPU+ arrangement niet aan 55- en 56- jarigen aan te bieden heeft de staatssecretaris overwogen dat dit - in aanmerking genomen het overigens verwachte natuurlijke verloop - niet nodig is voor het behalen van de afgesproken reductie van arbeidsplaatsen. De Raad volgt dit standpunt van de staatssecretaris. Uit de door de staatssecretaris in geding gebrachte gegevens blijkt naar het oordeel van de Raad genoegzaam dat de staatssecretaris de reële verwachting kon koesteren dat, indien alleen ambtenaren van 57 jaar en ouder in de gelegenheid zouden worden gesteld gebruik te maken van de regeling, er voldoende ambtenaren zouden uitstromen om gedwongen ontslagen binnen de Belastingdienst te voorkomen. Het ligt, gegeven deze situatie, voor de hand aan te nemen dat bij het gebruik maken van het arrangement ook door 55- en 56-jarigen, de uitstroom groter zou worden dan noodzakelijk. De staatssecretaris heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat dat zou leiden tot een aanzienlijke vergroting van de capaciteitsproblemen binnen de Belastingdienst met de daaraan verbonden gevolgen voor de tijdige en verantwoorde afhandeling van het werk. In dat geval zouden immers de knelpunten in de personele bezetting toenemen, terwijl de mogelijkheden om deze op te lossen af zouden nemen.

De Raad is dan ook van oordeel dat het door de staatssecretaris gekozen middel geschikt is ter bereiking van het gestelde doel.

4.5. Voorts onderschrijft de Raad het standpunt van de staatssecretaris dat dit gekozen middel ook noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken. De staatssecretaris heeft naar het oordeel van de Raad voldoende aannemelijk gemaakt dat er geen andere middelen zijn waarmee geen onderscheid wordt gemaakt en waartegen niet uit anderen hoofde overwegende bezwaren bestaan.

4.5.1. Met betrekking tot de door appellanten genoemde alternatieven volgt de Raad de staatssecretaris in zijn standpunt dat het aanbieden van het FPU+ arrangement op basis van diensttijd, tot verboden onderscheid naar geslacht zou kunnen leiden, waarvoor in dit verband geen rechtvaardigingsgrond aanwijsbaar is. Waar in de jurisprudentie diensttijd is aanvaard als onderscheidend criterium gaat het om een verschil in ervaring en waarde voor de organisatie, maar dat is hier niet aan de orde. De Raad merkt in dit verband nog op dat, indien het arrangement zou worden aangeboden aan ambtenaren van 55 jaar of ouder met bijvoorbeeld een diensttijd van 30 jaren of meer, 82% van de mannelijke FPU-gerechtigde ambtenaren van de Belastingdienst voor het arrangement in aanmerking zou kunnen komen tegenover slechts 33% van het aantal vrouwelijke FPU-gerechtigde ambtenaren.

4.5.2. Voorts heeft de staatssecretaris zich naar het oordeel van de Raad terecht op het standpunt gesteld dat het aanbieden van het FPU+ arrangement op basis van het personeelsoverschot per functiecategorie, zoals ook door appellanten is bepleit, binnen de onderscheidene functiecategorieën toch weer noodzaakt tot lastig te objectiveren keuzes en daarmee willekeur in de hand werkt, aangezien ook dan in functiegroepen waarin teveel gegadigden zijn moet worden voorkomen dat teveel ambtenaren met gebruikmaking van het arrangement uitstromen. Het valt dan ook niet in te zien dat dit een minder bezwaarlijk middel is dan het door de staatssecretaris gekozen middel.

5. Al hetgeen overigens namens appellanten is aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel geleid. Gezien het vorenstaande is de Raad van oordeel dat er sprake is van een objectieve rechtvaardiging voor het in het beleid van de staatssecretaris gemaakte onderscheid naar leeftijd. Het in het FPU+ arrangement gemaakte onderscheid naar leeftijd levert derhalve geen strijd op met de Wgbla.

6. De Raad kan en zal gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in het midden laten of het FPU+ arrangement een pensioenvoorziening is in de zin van artikel 8, eerste lid, van de Wgbla, en of derhalve de uitzonderingsbepaling van artikel 8, tweede lid, van de Wgbla van toepassing is.

7. Hieruit volgt dat de hoger beroepen van appellanten niet slagen en dat de aangevallen uitspraken voor bevestiging in aanmerking komen, zij het op andere gronden.

8. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en K. Zeilemaker en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.J.W. Loots als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.J.W. Loots.

HD

06.07

Q