Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB0043

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2007
Datum publicatie
20-07-2007
Zaaknummer
06-554 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tegemoetkoming in reiskosten voor het bereiken van de plaats van tewerkstelling. Is de werkplek van betrokkene doelmatig per openbaar vervoer bereikbaar?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/554 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[A. te B.], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 15 december 2005, 05/487 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: minister)

Datum uitspraak: 5 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2007. Appellante is, zoals aangekondigd, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. den Bremer, werkzaam bij het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: LNV).

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is ten tijde in geding werkzaam bij het Bureau Heffingen van het ministerie van LNV te Assen en woonachtig te Steenwijksmoer, gemeente Coevorden. Zij maakt voor het woonwerkverkeer gebruik van een auto. Appellante heeft de minister verzocht om een tegemoetkoming van € 130,- per maand in haar reiskosten voor het bereiken van de plaats van tewerkstelling als bedoeld in artikel 12a van het Verplaatsingskostenbesluit 1989 (hierna: Vkb) in verbinding met artikel 12 van de Verplaatsingskostenregeling 1989 (hierna: Vkr). Appellante heeft daarbij aangegeven dat zij geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer omdat de laatste bus vanaf het werk vertrekt om 15:42 uur en zij om die reden geen volledige werkdag aanwezig zou kunnen zijn. Dit verzoek is afgewezen bij besluit van 2 juni 2004, welk besluit na bezwaar is gehandhaafd bij besluit van 18 april 2005 (hierna: bestreden besluit).

1.2. Aan het bestreden besluit ligt het standpunt ten grondslag dat de werkplek van appellante doelmatig bereikbaar is per openbaar vervoer omdat er binnen 1,5 kilometer van de werkplek een uitstapplaats van het openbaar vervoer is gelegen. De woonplaats van appellante heeft de minister niet van belang geacht.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 12, aanhef en eerste lid, van het Vkb heeft de betrokkene aanspraak op vergoeding van de gemaakte kosten van het dagelijks reizen per openbaar vervoer tussen de woning en de plaats van tewerkstelling.

Op grond van artikel 12a van het Vkb heeft de betrokkene die naar het oordeel van het bevoegd gezag de plaats van tewerkstelling niet of niet doelmatig per openbaar vervoer kan bereiken, aanspraak op een tegemoetkoming in de gemaakte reiskosten. De hoogte daarvan is geregeld in artikel 12 van de Vkr.

3.2. Uit deze bepalingen en de bij het Vkb behorende nota van toelichting (Stb. 2003, 394) blijkt - naar de Raad reeds eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 7 juli 2005, LJN AT9769 en TAR 2005, 174 - onmiskenbaar dat de aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten van het eigen vervoer afhankelijk is gesteld van het antwoord op de vraag of, ter beoordeling van het bevoegd gezag, de werkplek doelmatig per openbaar vervoer bereikbaar is. Uitdrukkelijk is vermeld dat de woonplaatskeuze van de ambtenaar daarbij geen rol speelt. Appellante meent dat die passage zo gelezen dient te worden dat de woonplaatskeuze niet tegen haar gebruikt kan worden. Naar het oordeel van de Raad is evenwel, gelet ook op de context, kennelijk bedoeld dat in (gebrekkige bereikbaarheid per openbaar vervoer van) de woonplaats van de betrokkene geen argumenten gevonden kunnen worden voor een aanspraak op grond van artikel 12a van het Vkb.

3.3. De circulaire van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties van 10 september 2004, waarin is aangegeven dat de nota van toelichting aldus gelezen dient te worden dat de bereikbaarheid van de werkplek per openbaar vervoer per individuele situatie beoordeeld dient te worden, leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Deze circulaire laat immers onverlet hetgeen in de nota van toelichting wordt vermeld over de woonplaatskeuze. In weerwil van hetgeen appellante stelt, kan ook zonder rekening te houden met de woonplaatskeuze een individuele beoordeling worden gemaakt. Het feit dat een arbeidslocatie in het algemeen doelmatig per openbaar vervoer bereikbaar is sluit, bij deze rijksbreed geldende regeling, immers niet uit dat dit voor een individuele ambtenaar om allerlei redenen anders kan zijn, zodat een individuele beoordeling geboden blijft.

3.4. Voorts overweegt de Raad dat de minister ter invulling van de term “niet doelmatig per openbaar vervoer te bereiken” bij circulaire van 3 december 2003 (kenmerk P&O/C/2003-3875) heeft bepaald dat een plaats van tewerkstelling niet op doelmatige wijze met het openbaar vervoer bereikbaar is, indien de uitstapplaats van het openbaar vervoer op meer dan 1,5 kilometer van de werkplek is gelegen. De Raad is van oordeel dat de minister met deze nadere invulling een redelijke beleidsbepaling niet te buiten is gegaan.

3.5. Tussen partijen is niet in geschil dat er binnen 1,5 kilometer van de werkplek van appellante een uitstapplaats van het openbaar vervoer aanwezig is. De minister heeft ter beantwoording van de vraag of de werkplek van appellante doelmatig per openbaar vervoer bereikbaar is, als bedoeld in artikel 12a van het Vkb, louter de aanwezigheid van deze halte aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Desgevraagd is namens de minister ter zitting aangegeven dat niet is onderzocht wanneer ten tijde in geding - los van de woonplaats van appellante - enig openbaar vervoer vanaf deze halte vertrok. Afgezien van de door appellante genoemde vertrekmogelijkheid per bus, bevinden zich onder de gedingstukken geen gegevens over de dienstregeling. Ter zitting kon daarover evenmin informatie worden verstrekt. Naar het oordeel van de Raad kan bij gebreke van deze gegevens niet worden beoordeeld of de minister al dan niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om - in weerwil van de onder 1.1. bedoelde stellingen van appellante - onverkort aan het door hem gestelde criterium vast te houden. Dit betekent dat het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en evenmin op een deugdelijke motivering berust.

4. Gezien het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking en zal de Raad, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De Raad zal voorts bepalen dat de minster een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak. Daarbij dient de minister tevens een besluit te nemen op het bij aanvullend bezwaarschrift van appellante ingediende verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de minister op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg tot een bedrag van € 322,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-, derhalve in totaal tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de minister een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt de minister in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal

€ 644,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellante het door haar betaalde griffierecht van in totaal € 345,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) R.A. Huizer.

HD

27.06