Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB0008

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-07-2007
Datum publicatie
20-07-2007
Zaaknummer
06/3156 WWB + 06/3162 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand: verzwegen vermogen in het buitenland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3156 WWB

06/3162 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 18 april 2006, 04/3635 en 05/2045 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: College)

Datum uitspraak: 17 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.G.J. Raaijmakers, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2007. Appellant is verschenen, vergezeld van zijn dochter en bijgestaan door mr. Raaijmakers. Het College heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant en zijn toenmalige echtgenote, F. [naam ex-echtgenote], ontvingen over de periode van 30 september 1997 tot 1 december 2003 bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden. Tussen appellant en [naam ex-echtgenote] is op 9 maart 2004 de echtscheiding uitgesproken.

[naam ex-echtgenote] heeft in maart 2004 bijstand aangevraagd. Tijdens een intakegesprek bij de Dienst Werk, Zorg en Inkomen van de gemeente Eindhoven (DWZI) op 5 maart 2004 heeft zij verklaard dat appellant beschikt over een bankrekening en over twee woningen in Marokko.

In april 2004 heeft appellant een aanvraag om bijstand gedaan. Deze is niet gehonoreerd, omdat appellant geen gegevens over zijn vermogen in Marokko heeft overgelegd. Op 25 juni 2004 heeft appellant wederom bijstand aangevraagd. Bij brief van 29 juli 2004 heeft het College appellant verzocht vóór 10 augustus 2004 kopieën van de afschriften van zijn bankrekening bij de Banque populaire in Marokko vanaf de opening van die rekening en een kopie van stukken betreffende het bezit van een eigen huis over te leggen. Het College heeft de termijn voor het inleveren van de gevraagde stukken bij brief van 17 augustus 2004 verlengd tot 25 augustus 2004. Daarbij is appellant meegedeeld dat het opnieuw niet voldoen aan het verzoek om inzending van de gegevens zal leiden tot het buiten behandeling laten van de aanvraag. Appellant heeft de gevraagde gegevens niet overgelegd. Hij heeft alleen telefonisch contact opgenomen met een medewerker van de DWZ I, waarbij hij zou hebben gezegd niet te weten hoe hij aan de gevraagde gegevens moet komen. Bij besluit van 1 september 2004 heeft het College de aanvraag onder toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gelaten. Bij besluit van 16 november 2004 heeft het College het tegen het besluit van 1 september 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Inmiddels was het College naar aanleiding van de mededelingen van [naam ex-echtgenote] over het vermogen van appellant gestart met een onderzoek naar de rechtmatigheid van de over de periode van 30 september 1997 tot 1 december 2003 aan appellant en [naam ex-echtgenote] verleende gezinsbijstand. Bij brief van 6 augustus 2004 is aan appellant gevraagd om vóór 1 september 2004 bankafschriften van zijn rekening bij de Banque populaire te Marokko en een eigendomsbewijs van zijn woning in Marokko over te leggen. Bij brief van 24 september 2004 is de termijn voor het insturen van de gevraagde gegevens verlengd tot 4 oktober 2004. Appellant heeft de gevraagde gegevens niet overgelegd. Bij besluit van 20 oktober 2004 heeft het College de bijstand van appellant over de periode van 30 september 1997 tot en met 30 november 2003 ingetrokken op de grond dat het recht op bijstand over deze periode niet kan worden vastgesteld. Tevens heeft het College bij dit besluit de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 12.235,45. Bij besluit van 31 mei 2005 heeft het College het tegen het besluit van 20 oktober 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de tegen de besluiten van 16 november 2004 en 31 mei 2005 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het buiten behandeling laten van de bijstandsaanvraag

Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is onder meer sprake van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag, indien onvoldoende gegevens zijn verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvraag redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

De vraag of appellant inlichtingen had moeten vestrekken over het bezit van onroerend goed in Marokko is in hoger beroep niet aan de orde. Het gaat in dit geding met name om de bankrekening van appellant bij de Banque populaire in Marokko, met het nummer [bankrekeningnummer]. Ter zitting van de Raad is gebleken dat deze bankrekening al vanaf 1966 op naam staat van appellant. Verder is niet in geschil dat op die rekening op 27 mei 2003 een tegoed stond van (omgerekend) € 25.685,05.

Naar het oordeel van de Raad zijn de door het College gevraagde afschriften van die bankrekening van belang om te bepalen of appellant met ingang van 25 juni 2004 in aanmerking komt voor bijstand. Daarbij neemt de Raad in het bijzonder in aanmerking dat in mei 2003 nog sprake was van een aanzienlijk tegoed op die rekening en dat het saldo ten tijde van de aanvraag vrijwel nihil was. Het College moest onder meer kunnen beoordelen of en in hoeverre op dat bedrag op verantwoorde wijze is ingeteerd in de periode voorafgaand aan de aanvraagdatum. Appellant heeft de gevraagde gegevens niet binnen de door het College gestelde (verlengde) termijn verstrekt. Hij heeft volstaan met het eerder vermelde telefonisch contact. Voorts komt, gelet op het hier aan de orde zijnde wettelijk kader, geen betekenis toe aan de in beroep overgelegde bankafschriften.

Voor zover appellant zich op het standpunt stelt dat hij redelijkerwijs niet in staat was de beschikking te krijgen over de bankafschriften, volgt de Raad hem daarin niet. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant wel in staat is geweest een verklaring van de Banque populaire omtrent zijn bankrekening over te leggen en voorts, dat de bankafschriften zijn gesteld op het woonadres van appellant in Nederland. Voor zover appellant niet meer over alle bankafschriften beschikte, had hij deze kunnen opvragen, waartoe hij eventueel een nader uitstel aan het College had kunnen vragen.

Het College was dan ook bevoegd om de aanvraag van appellant buiten behandeling te laten. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat het College in dit geval niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

De intrekking en de terugvordering

Naar vaste rechtspraak vormt een tegoed op een op naam van de betrokkene staande bankrekening een bestanddeel van het vermogen waarover de betrokkene (redelijkerwijs) kan beschikken, tenzij de betrokkene aantoont dat dit niet het geval is.

Naar het oordeel van de Raad is appellant er niet in geslaagd aan te tonen dat het hier niet ging om vermogen in de hiervoor bedoelde zin. Appellant stelt zich op het standpunt dat het op de hierboven genoemde bankrekening staande tegoed niet aan hem toebehoorde, omdat hij de desbetreffende gelden in bewaring had gekregen van zijn zoons om het te besteden voor hun huwelijken, hetgeen volgens appellant ook is gebeurd. Appellant heeft daartoe een verklaring van zijn zoons en een huwelijksakte overgelegd, alsmede een verklaring van een imam over de gebruiken rondom een huwelijk, de bruidschat en de rol van de vader daarbij. Appellant heeft echter op geen enkele wijze met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd dat het banktegoed - zoals dat bijvoorbeeld op 27 mei 2003 nog aanwezig was - niet aan hem toebehoorde. Zo is er geen enkel document voorhanden waaruit blijkt van daadwerkelijke financiële transacties tussen appellant en zijn zoons of waaruit de feitelijke financiële afwikkeling van de huwelijken en de daaraan verbonden kosten en bruidschatten via de bankrekening van appellant, met door de zoons beschikbaar gestelde gelden, valt af te leiden.

De Raad stelt voorts vast dat appellant geen inzicht heeft gegeven in het verloop van de meergenoemde bankrekening tijdens de in geding zijnde periode. Daarbij komt dat in de bezwaarfase naar voren is gekomen dat appellant niet alleen beschikte over deze bankrekening, maar ook over twee andere, eveneens bij het College niet gemelde bankrekeningen. Volledige gegevens over het verloop van die rekeningen zijn evenmin voorhanden.

Evenals de rechtbank en het College komt de Raad tot de conclusie dat appellant, door geen opheldering te geven over zijn vermogenspositie tijdens de in geding zijnde periode, de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, en dat als gevolg van die schending het recht op gezinsbijstand over die periode niet kan worden vastgesteld. Dat betekent dat aan appellant en zijn toenmalige echtgenote over die periode ten onrechte bijstand is verleend.

Het College was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB) bevoegd om de aan appellant over de periode van 30 september 1997 tot 1 december 2003 verleende gezinsbijstand in te trekken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten van die bevoegdheid gebruik te maken.

Daaruit vloeit voort dat is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College bevoegd was om terugvordering van de over de in geding zijnde periode gemaakte kosten van bijstand over te gaan.

In artikel 9 van de door de gemeenteraad van Eindhoven vastgestelde - op 1 januari 2005 in werking getreden - Afstemmings- en Fraudeverordening WWB 2005 is bepaald, dat de kosten van bijstand worden teruggevorderd in de gevallen die in de artikelen 58 en 59 van de WWB zijn aangegeven en dat van terugvordering kan worden afgezien indien sprake is van (samengevat) kruimelgevallen dan wel indien hiertoe dringende redenen aanwezig zijn. Met verwijzing naar zijn uitspraak van 30 januari 2007, LJN AZ8022, stelt de Raad vast dat de gemeenteraad van Eindhoven hiermee de in artikel 8a van de WWB aan hem toegekende verordenende bevoegdheid heeft overschreden. Evenals in de zojuist genoemde uitspraak, ziet de Raad in deze zaak evenwel, gelet op het desbetreffende raadsvoorstel van het College en de door het College gegeven toelichting op het gevoerde en nog te voeren terugvorderingsbeleid, aanleiding om deze bepaling te beschouwen als beleid van het College. Naar het oordeel van de Raad gaat dit beleid, althans voor zover het betreft de terugvordering van bijstand die het gevolg is van een herzienings- of intrekkingsbesluit op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB, de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. In de door appellant aangevoerde financiële omstandigheden ziet de Raad geen grond om te oordelen dat sprake is van een dringende reden om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het enkele feit dat appellant over een minimuminkomen beschikt is daarvoor onvoldoende. De Raad tekent hierbij aan dat het College bij de invordering van het teruggevorderde bedrag ermee rekening dient te houden dat appellant blijft beschikken over de beslagvrije voet. Het terugvorderingsbesluit is derhalve genomen in overeenstemming met het beleid. In hetgeen is aangevoerd ziet de Raad ook geen grond voor het oordeel dat het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, in dit geval van zijn beleid had behoren af te wijken.

Slotoverwegingen

Gezien het voorafgaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Dat brengt met zich dat er geen grond is voor de door appellante gevorderde veroordeling van het College tot schadevergoeding.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2007.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) D. Olthof.

EK2906