Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB0006

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
20-07-2007
Zaaknummer
06/3182 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen sprake van een gezamenlijke huishouding: geen grond voor intrekking van de bijstand; terugvordering bijstand houdt dus geen stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3182 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 12 mei 2006, 05/1438 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sliedrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 10 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. van der Stel, advocaat te Dordrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Stel. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door M.R.A. Kleijn, werkzaam bij de Intergemeentelijke Sociale Dienst Drechtsteden.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante ontving vanaf 7 december 2004 een bijstandsuitkering ingevolgde de WWB.

Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellante niet op het bij het College bekende adres [adres 1] in Sliedrecht maar op het adres [adres 2] te Sliedrecht woont, heeft het College onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader zijn huisbezoeken gebracht aan de hiervoor genoemde adressen en zijn appellante en de bewoner van de woning [adres 2] te Sliedrecht, E. [betrokkene], door de sociale recherche gehoord.

De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een Rapportage huisbezoek van 22 juli 2005 en een advies van de sociale recherche van 25 juli 2005.

Bij besluit van het College van 22 juli 2005 heeft het College de bijstand over de periode van 7 december 2004 tot 1 juli 2005 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 10.186,47 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 1 november 2005 heeft het College het tegen het besluit van 22 juli 2005 gemaakte bewaar ongegrond verklaard. Het College stelt zich op het standpunt dat appellante vanaf 7 december 2004 met [betrokkene] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd en dat zij daarvan in strijd met haar inlichtingenverplichting geen mededeling heeft gedaan aan het College.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 1 november 2005 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder a, van de WWB - voor zover hier van belang - wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Op grond van het derde lid van dit artikel is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Vaststaat dat appellante en [betrokkene] ten tijde hier van belang ieder over een eigen woning beschikten. Naar vaste rechtspraak van de Raad behoeft het aanhouden van afzonderlijke woonadressen op zichzelf aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning niet in de weg te staan. In dat geval zal aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwonen bestaat, bijvoorbeeld doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt. Naar het oordeel van de Raad doet die situatie zich hier voor. De Raad kent daarbij zwaarwegende betekenis toe aan de verklaringen die appellante en [betrokkene] hebben afgelegd. Daaruit moet in de eerste plaats worden afgeleid dat appellante haar hoofdverblijf had in de woning van [betrokkene]. Van haar verklaring dat zij in de woning van [betrokkene] logeerde zolang haar eigen woonruimte werd opgeknapt en nog niet voor bewoning door haar en haar zoontje gereed en geschikt was, heeft zij geen afstand genomen. Ook ter zitting van de Raad heeft appellante verklaard dat zij het met het oog op de gezondheidssituatie van haar zoontje niet verantwoord vond dat hij in de woning [adres 1] te Sliedrecht sliep. Dat hij, zoals appellante nog heeft aangevoerd, ook wel eens in haar woning of bij een vriendin sliep doet aan het voorgaande niet af. De Raad gaat er voorts van uit dat ook [betrokkene] hoofdverblijf had in de woning [adres 2] te Sliedrecht. Weliswaar, zo heeft appellante aangevoerd, was hij vanwege zijn werk als vrachtwagenchauffeur vaak van huis, maar hij stond op dat adres ingeschreven, zijn persoonlijke spullen waren in die woning, hij vertrok vanuit die woning naar zijn werk en keerde van zijn werk aldaar weer terug. Aan het eerste in artikel 3, derde lid, van de WWB genoemde criterium is derhalve voldaan.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of ook aan het tweede criterium, dat van de wederzijdse zorg, is voldaan. Dit kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate is gebleken, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal dan ook bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een bepaald geval is voldaan.

De Raad acht voldoende naar voren gekomen dat [betrokkene] aan appellante zorg verleende. Appellante mocht de woning van [betrokkene] gebruiken zolang zij bezig was met het opknappen van haar woning, zij mocht zijn auto gebruiken in de periodes waarin hij voor zijn werk weg was, en [betrokkene] droeg bij in het opknappen van de woning van appellante en aan de inrichting van die woning. Er zijn echter onvoldoende feiten en omstandigheden voorhanden voor het oordeel dat in het onderhavige geval sprake is geweest van wederzijdse zorg. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat van enige financiële verstrengeling tussen appellante en [betrokkene] niet is gebleken. Uit de verklaringen van appellante en [betrokkene] blijkt dat appellante zelf zorg droeg voor de betaling van haar vaste lasten en van haar dagelijkse boodschappen. Niet is gebleken dat appellante daarnaast bijdroeg in de vaste lasten van [betrokkene] of in diens overige, huishoudelijke kosten. Mede tegen de achtergrond van de verklaring van appellante dat [betrokkene] vanwege zijn activiteiten als (internationaal) chauffeur vaak van huis was, acht de Raad het feit dat appellante en [betrokkene] wel samen aten als hij thuis was en dat appellante dan ook wel voor hem de was deed onvoldoende voor het oordeel dat appellante gedurende de gehele in geding zijnde periode zorg verleende aan [betrokkene].

Op grond van het voorafgaande komt de Raad tot de conclusie dat, anders dan het College heeft aangenomen, tussen appellante en [betrokkene] ten tijde in geding geen sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding, zodat er geen grond is voor intrekking van de bijstand over de periode van 7 december 2004 tot 1 juli 2005. Dit brengt tevens mee dat de terugvordering van de bijstand geen stand kan houden.

Nu de rechtbank dat niet heeft onderkend, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het besluit van 1 november 2005 vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Aangezien het primaire besluit van 22 juli 2005 berust op dezelfde, hiervoor ondeugdelijk bevonden motivering, ziet de Raad aanleiding om, met gebruikmaking van de in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid, het besluit van 22 juli 2005 te herroepen.

De Raad ziet ten slotte aanleiding het College te veroordelen in de kosten die appellante in bezwaar heeft gemaakt alsmede in de proceskosten in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in bezwaar, op €644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 1 november 2005 gegrond en vernietigt dat besluit;

Herroept het besluit van 22 juli 2005;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 1.932,--, te betalen door het College;

Bepaalt dat de gemeente Sliedrecht het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en R.M. van Male en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2007.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) D. Olthof.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

EK2906