Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9999

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-07-2007
Datum publicatie
20-07-2007
Zaaknummer
06-4413 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en vermindering toeslag. Medebewoning. Schaalvoordeel.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 18
Wet werk en bijstand 25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 296
USZ 2007/268
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4413 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 juni 2006, 05/5158 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[A. te B.] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 10 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. S. van Gent, werkzaam bij de gemeente Schiedam. Voor betrokkene is verschenen mr. K.M. van Wijngaarden, advocaat te Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Betrokkene ontving sedert 1 mei 1996 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder en een toeslag van 20% van het nettominimumloon, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

Tijdens een huisbezoek, afgelegd op 18 april 2005, is geconstateerd dat betrokkene, zijn echtgenote, die niet over een verblijfstitel beschikte, en hun kinderen, feitelijk niet op het door hem opgegeven adres [adres 1] te Schiedam verbleven, maar inwoonden bij de eveneens in Schiedam wonende ouders van betrokkene. Betrokkene, die in het bezit was van een dubbele urgentieverklaring, hield de door hem gehuurde woning aan met het oog op het verkrijgen van een nieuwe woning ter vervanging van de in 2006 te slopen woning aan de [adres 1].

Bij besluit van 28 april 2005, voor zover van belang, heeft appellant de bijstand van betrokkene herzien met ingang van 18 april 2005 door de toeslag te wijzigen in 10% van het nettominimumloon.

Bij besluit van 19 september 2005 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 28 april 2005 ongegrond verklaard, met overname van het advies van de Bezwaarschriftencommissie. Dit advies luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Ingevolge artikel 25 lid 1 van de Wet werk en bijstand (hierna: Wwb) verhoogt het college de norm, bedoeld in artikel 21, onderdelen a en b, met een toeslag voorzover de belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het feit van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander.

Ingevolge artikel 25 lid 2 van de Wwb bedraagt de toeslag ten hoogste € 229,97 per kalendermaand.

Ingevolge artikel 3 lid 2 van de Verordening toeslagen op en verlagingen van de norm gemeente Schiedam 2004 (hierna: de Verordening) wordt de norm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder verhoogd met een toeslag van 20% van het netto minimumloon indien in dezelfde woning geen anderen hun hoofdverblijf hebben.

Ingevolge artikel 3 lid 3 van de Verordening wordt de norm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder verhoogd met een toeslag van 10 % van het netto minimumloon indien er sprake is van medebewoning, anders dan genoemd in lid 2.

Ingevolge artikel 1 onder m van de Verordening wordt onder medebewoning verstaan de situatie waarin naast de belanghebbende(n) één of meer anderen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben als alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwde.

Ingevolge artikel 1 onder j van de Verordening wordt onder hoofdverblijf verstaan: de woning waar de belanghebbende werkelijk verblijft. (....)

Gelet op artikel 1 onder j van de Verordening gaat het voor de bepaling waar iemand hoofdverblijf houdt om de woning van het werkelijk verblijf. Belanghebbende heeft tijdens een huisbezoek verklaard te wonen bij zijn ouders aan het adres [adres 2] te Schiedam. Daarnaast wordt door belanghebbende in het bezwaarschrift erkend dat er sprake is van bestendig verblijf bij zijn ouders. Op basis van voorgaande mededelingen is de commissie van oordeel dat belanghebbende zijn werkelijke verblijf houdt bij zijn ouders op het adres voornoemd. Dat belanghebbende staat ingeschreven op een ander adres doet aan het voorgaande niet af. Inschrijving aan een adres in het bevolkingsregister vormt op zich genomen namelijk geen bewijs dat het hoofdverblijf ook aldaar is, het gaat immers om waar belanghebbende werkelijk verblijft. Nu naar het oordeel van de commissie is komen vast te staan dat belanghebbende bij zijn ouders inwoont is er sprake van medebewoning als bedoeld in artikel 1 onder m van de Verordening. En indien er sprake is van medebewoning wordt ingevolge artikel 3 lid 3 van de Verordening de norm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder verhoogd met een toeslag van 10% van het nettominimumloon.

Op basis van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de gemeente terecht en in overeenstemming met de geldende regelgeving, de toeslag op de uitkering heeft verlaagd van 20% naar 10% van het wettelijk minimumloon.".

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over griffierecht en proceskosten - het tegen het besluit van 19 september 2005 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 28 april 2005 herroepen en bepaald dat betrokkene met ingang van 18 april 2005 een toeslag van 20% van het minimumloon toekomt. Naar het oordeel van de rechtbank had appellant in de individuele omstandigheden van betrokkene aanleiding moeten vinden om, met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB, de toeslag in afwijking van artikel 3, derde lid, van de Verordening vast te stellen op de maximumtoeslag.

In hoger beroep heeft appellant dit oordeel gemotiveerd bestreden.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt met appellant en de rechtbank vast dat ten tijde hier van belang sprake was van medebewoning in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder m, van de Verordening in de woning van de ouders van betrokkene. Nu de uitzonderingen, vermeld in artikel 3, tweede lid, van de Verordening, in dit geval niet aan de orde zijn, dient de norm voor een alleenstaande ouder te worden verhoogd met 10% van het nettominimumloon op grond van het derde lid van dat artikel.

De Raad volgt niet het oordeel van de rechtbank dat van een verondersteld schaalvoordeel geen sprake was. Naar het oordeel van de Raad kan in het geval een gehuwd kind bij zijn ouders inwoont het hebben van enig zogeheten schaalvoordeel in verband met het medebewonen van de woning van de ouders niet worden uitgesloten (zie ook de uitspraak van 2 maart 1999, LJN AA8683). De door de rechtbank genoemde omstandigheden waaronder betrokkene ertoe is gekomen om zijn huurwoning aan te houden en het gegeven dat hij de kosten van deze huurwoning niet met een ander kon delen, maken dit niet anders. De financiële gevolgen van de keuze van betrokkene om niet in de door hem gehuurde woning te blijven wonen kan naar het oordeel van de Raad niet worden afgewenteld op de WWB (zie ook de uitspraak van 11 juli 2006, LJN AY5170). Er was dan ook geen reden in verband met de kosten van deze woning de toeslag in afwijking van artikel 3, derde lid, van de Verordening te handhaven op 20% met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB in verbinding met artikel 30, vierde lid, van de WWB.

In het voorgaande ligt besloten dat appellant bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB de toeslag te herzien. In hetgeen namens betrokkene is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat appellant niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep ongegrond verklaren en het in beroep ingediende verzoek om schadevergoeding afwijzen.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. van Ommen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2007.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) S. van Ommen.

EK2906