Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9997

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-07-2007
Datum publicatie
20-07-2007
Zaaknummer
06-4912 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding: de beschikbare gegevens bieden geen toereikende basis voor de vaststelling dat betrokkenen een gezamenlijke huishouding voerden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4912 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 13 juli 2006, 06/149 WWB (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert (hierna: College)

Datum uitspraak: 10 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.H.J. Hahn, advocaat bij Rechtshulp Advocaten Zuid, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hahn. Het College is, met kennisgeving, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontvangt vanaf oktober 1990 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

Naar aanleiding van een anonieme melding op 2 november 2004 dat appellante samenwoonde met [betrokkene] ([betrokkene]) heeft de sociale recherche van de gemeente Weert een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, zijn in de periode van 21 januari 2005 tot en met 14 april 2005 observaties verricht, zijn diverse instanties (waaronder de Rijksdienst voor het Wegverkeer, Gemeentelijke Basisadministratie, politie Weert, Essent Energie Limburg en Watermaatschappij Limburg) om inlichtingen verzocht, is op 17 mei 2005 een huiszoeking verricht in de woning van appellante en zijn appellante en [betrokkene] gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 24 juni 2005.

De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 22 juli 2005 onder meer de bijstand over de periode van 1 juni 2004 tot en met 16 mei 2005 te herzien (lees: in te trekken) en de over de periode van 1 juni 2004 tot en met 30 april 2005 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 14.343,54 bruto van appellante terug te vorderen. De besluitvorming berust op de overweging dat appellante van 1 juni 2004 tot en met 16 mei 2005, zonder daarvan aan het College melding te maken, een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB heeft gevoerd met [betrokkene].

Bij besluit van 6 december 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 22 juli 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 december 2005 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij is aangevoerd dat geen sprake was van een gezamenlijk hoofdverblijf of van wederzijdse zorg.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Van een gezamenlijke huishouding is volgens artikel 3, derde lid, WWB sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Zoals de Raad reeds eerder heeft uitgesproken, heeft de terzake van artikel 3, van de Algemene bijstandswet, dat gelijkluidende bepalingen kende, gevormde jurisprudentie haar gelding behouden onder de WWB.

Appellante en [betrokkene] stonden ten tijde hier van belang ingeschreven op verschillende woonadressen, appellante in Weert en [betrokkene] in Sittard. Volgens vaste rechtspraak hoeft het aanhouden van afzonderlijke woonruimte niet in de weg te staan aan het hebben van een gezamenlijk hoofdverblijf in dezelfde woning. In dat geval zal echter - door het betrokken bestuursorgaan - redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn gemaakt dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat, doordat slechts een van beide woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moeten worden gesproken.

Wederzijdse zorg kan, eveneens volgens vaste rechtspraak, blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen. Indien van een zodanige financiële verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal dan ook bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of in een concreet geval aan het criterium van de wederzijdse zorg is voldaan.

Anders dan de rechtbank en het College is de Raad van oordeel dat de beschikbare gegevens geen toereikende basis bieden voor de vaststelling dat appellante en [betrokkene] in het betrokken tijdvak een gezamenlijke huishouding voerden in de woning van appellante.

Tijdens het verhoor op 17 mei 2005 heeft appellante verklaard dat [betrokkene] vanaf de zomer van 2004 steeds vaker bij haar in de woning is geweest. De Raad acht deze verklaring, bezien in samenhang met de overige gegevens, onvoldoende om een feitelijke situatie van samenwonen gedurende de gehele periode aan te nemen. Uit de observatiegegevens en de verklaring van [betrokkene] kan slechts worden afgeleid dat [betrokkene] vanaf omstreeks januari 2005 zeer frequent bij appellante verbleef. Andere aanwijzingen voor een gezamenlijk hoofdverblijf in de woning van appellante zijn er niet of nauwelijks. De verbruiksgegevens van gas, elektra en water van de woning van [betrokkene] te Sittard ondersteunen het standpunt van het College niet, daargelaten dat deze gegevens grotendeels betrekking hebben op andere tijdvakken dan het in geding zijnde tijdvak. Verder zijn er in de woning van appellante zeer weinig persoonlijke eigendommen van [betrokkene] aangetroffen. Dat [betrokkene] ten tijde van belang zijn hoofdverblijf in de woning van appellante had is dan ook niet komen vast te staan. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat [betrokkene] in Sittard werkt, dat zijn minderjarige zoon in Sittard woont en hem bezoekt in [betrokkene]s woning te Sittard.

Voldoende aanwijzingen om wederzijdse zorg aan te nemen zijn er naar het oordeel van de Raad evenmin. Anders dan de rechtbank heeft de Raad uit de voorhanden stukken niet kunnen afleiden dat de vaste (woon)lasten door appellante en [betrokkene] werden gedeeld. Uit de onderzoeksgegevens blijkt verder slechts dat [betrokkene], indien hij bij appellante is, de maaltijden bij haar gebruikt, een financiële bijdrage voor de boodschappen levert en dat de was van [betrokkene] ook wel in de woning van appellante wordt gedaan. Deze bevindingen zijn in dit geval voor het aannemen van wederzijdse zorg onvoldoende.

Uit het voorgaande vloeit voort dat met de vernietiging van de aangevallen uitspraak, het beroep gegrond moet worden verklaard en dat het besluit van 6 december 2005 moet worden vernietigd, omdat het niet op een deugdelijke feitelijke grondslag berust.

De Raad ziet voorts aanleiding om, zelf in de zaak voorziend, het besluit van 22 juli 2005 te herroepen voor zover dit ziet op de intrekking en de terugvordering, nu dit in zoverre op hetzelfde, onhoudbaar gebleken, standpunt van het College berust en niet aannemelijk is dat dit motiveringsgebrek alsnog kan worden hersteld.

Ten slotte ziet de Raad aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep voor verleende rechtsbijstand en op € 670,90 in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en reiskosten van appellante.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 6 december 2005;

Herroept het besluit van 22 juli 2005, voor zover dit ziet op de intrekking en de terugvordering;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.314,90 te betalen door de gemeente Weert;

Bepaalt dat de gemeente Weert aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. van Ommen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2007.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) S. van Ommen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huis-houding.

EK1007