Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9994

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-07-2007
Datum publicatie
20-07-2007
Zaaknummer
06-5419 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Er is voldaan aan het vereiste dat het bezwaarschrift een concrete bezwaargrond dient te bevatten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:5, geldigheid: 2007-07-17
Algemene wet bestuursrecht 6:5, geldigheid: 2007-07-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/383

Uitspraak

06/5419 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 21 juli 2006, 06/724 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein (hierna: College)

Datum uitspraak: 17 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2007. Appellant is met bericht niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J.K.Klok, werkzaam bij de gemeente Nieuwegein.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant heeft op 5 juli 2005 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd. Appellant heeft daarbij opgegeven in Nieuwegein te wonen op het adres [adres 1], tevens het adres waar hij in de Gemeentelijke basisadministratie stond ingeschreven.

Bij besluit van 1 september 2005 heeft het College de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat appellant ten tijde in geding niet woonachtig was in Nieuwegein. Daarbij heeft het College zich blijkens het besluit gebaseerd op, niet nader gespecificeerde, intensieve controles en de eigen verklaring van appellant dat hij bij vrienden in Houten verblijft.

Tegen dit besluit heeft appellant bij schrijven van 7 september 2005 bezwaar gemaakt. In zijn bezwaarschrift heeft appellant ontkend dat hij niet in Nieuwegein woonachtig is. Daarbij heeft appellant aangegeven dat hij met deze stelling volstaat omdat niet blijkt waarop het standpunt van het College is gebaseerd.

Bij brief van 29 september 2005 heeft het College onder toezending van de stukken waarop het besluit van 1 september 2005 is gebaseerd appellant verzocht de nadere gronden van zijn bezwaar in te dienen voor 15 oktober 2005. Verder heeft het College appellant erop gewezen dat het niet voldoen aan dit verzoek tot gevolg kan hebben dat zijn bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Appellant heeft niet gereageerd op deze brief. Het College heeft daarop bij besluit van 30 december 2005 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 september 2005 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 30 december 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover hier van belang, bevat het bezwaarschrift ten minste de gronden van het bezwaar.

Uit de jurisprudentie van de Raad komt naar voren dat in het algemeen geen hoge eisen worden gesteld aan de motivering van een bezwaarschrift. Dit brengt mee, dat in de regel ook van een in het bezwaarschrift gegeven summiere motivering van het bezwaar zal kunnen worden aangenomen dat daarmee is voldaan aan het vereiste van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Dit neemt echter niet weg dat het bezwaarschrift wel, hoe summier ook verwoord, een concrete bezwaargrond dient te bevatten.

De Raad stelt vast dat appellant met de stelling in zijn bezwaarschrift dat ontkend wordt dat appellant niet in Nieuwegein woonachtig is, de juistheid heeft betwist van de overweging die het College ten grondslag heeft gelegd aan diens in bezwaar bestreden besluit tot afwijzing van de aanvraag.

De Raad is van oordeel dat mede in het licht van de gegeven motivering van het besluit van 1 september 2005 appellant heeft voldaan aan het vereiste dat het bezwaarschrift een concrete bezwaargrond dient te bevatten. Met deze grond heeft appellant duidelijkheid verschaft over het punt waarmee hij het niet eens is.

Uit het vorenstaande volgt dat het bezwaarschrift voldeed aan het vereiste van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Derhalve is niet van betekenis de omstandigheid dat het College na toezending van de onderliggende stukken aan appellant een hersteltermijn voor het aanvoeren van nadere gronden is gegeven. De Raad merkt in dit verband op dat appellant in het bezwaarschrift geen nadere gronden in het vooruitzicht heeft gesteld.

Het College heeft het bezwaarschrift derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 30 december 2005 vernietigen. Voorts zal de Raad het College opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daarbij zal het College tevens een beslissing dienen te nemen op het verzoek van appellant om vergoeding van de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.

De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de door appellant gemaakte kosten van rechtsbijstand, welke worden begroot op € 322,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 30 december 2005;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op de bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College tot vergoeding van de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Nieuwegein aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2007.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) A.C. Palmboom.

EK1506