Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9940

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
19-07-2007
Zaaknummer
05-2435 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Minder dan 15% arbeidsongeschikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2435 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 21 maart 2005, 02/364 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.M. Stam, advocaat te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Stam. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E. van den Brink.

II. OVERWEGINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan het Lisv.

Appellant is op 12 mei 1999 met psychische en lichamelijke klachten uitgevallen in zijn functie als productiemedewerker. De verzekeringsarts G.W. Buijs heeft appellant op 28 maart 2000 op zijn spreekuur gezien. De verzekeringsarts heeft in zijn rapport geconcludeerd dat de klachten van appellant passen bij de door hem geconstateerde psychosociale problematiek en hij heeft appellant aangewezen geacht op werkzaamheden met een spanningsarm karakter, die een geringe algehele krachtsinwerking hebben op het bewegingsstelsel van appellant. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige H. van Gelder in zijn rapport van 8 mei 2000 geconcludeerd dat appellant, gelet op de door verzekeringsarts Buijs vastgestelde verminderde belastbaarheid, ongeschikt is voor het eigen werk als productiemedewerker, maar geschikt is voor een aantal gangbare functies. Op basis hiervan heeft de arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 15%. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 10 mei 2000 geweigerd appellant met ingang van diezelfde datum een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen.

Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De bezwaarverzekeringsarts W.G.F. Geerlings heeft blijkens zijn rapport van 19 november 2001, het oordeel van verzekeringsarts Buijs grotendeels onderschreven en de aangenomen beperkingen enigszins aangescherpt. Dit heeft echter niet geleid tot een wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 15 januari 2002 (bestreden besluit) de bezwaren van appellant ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het hiertegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft doorslaggevende betekenis toegekend aan het oordeel van de door haar benoemde deskundige, zenuwarts H. Snoeij, die na onderzoek van appellant en na kennis te hebben genomen van de beschikbare medische gegevens, waaronder de rapporten van psycholoog B.N.V. Hoogeveen van 6 april 2001 en van de behandelend psychiater I.J.H. Stessel van 19 maart 2002, heeft geconcludeerd dat bij appellant op de in geding zijnde datum sprake was van een aanpassingsstoornis met depressieve stemming en een neiging tot somatisatie van spanningen. Snoeij heeft in zijn rapport de beperkingen, neergelegd in het belastbaarheidspatroon, onderschreven.

In hoger beroep stelt appellant zich op het standpunt dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies zowel medisch als arbeidskundig niet passend zijn. Daarnaast stelt appellant dat de rechtbank ten onrechte de door haar geraadpleegde deskundige heeft gevolgd. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat de door Snoeij in zijn rapport verwoorde conclusie onvoldoende is gemotiveerd.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de medische en de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit de toets der kritiek kunnen doorstaan.

In zijn rapport heeft de deskundige Snoeij aangegeven dat appellant op de in geding zijnde datum in staat moest worden geacht om gedurende 38,5 uur per week de werkzaamheden te verrichten van de aan hem in het kader van de WAO-beoordeling voorgehouden functies printplatenmonteur, kamerjongen, samensteller van elektronische producten, kunststofbewerker en vergaarder/brocheerder.

In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige pleegt te volgen. Appellant heeft in hoger beroep geen medische informatie naar voren gebracht die een ander licht werpt op zijn medische situatie. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad dan ook geen aanleiding om in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.

Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E Wulffraat-van Dijk als voorzitter en M.C. Bruning en F.J.L. Pennings als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2007.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) M. Gunter.

JL