Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9934

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-05-2007
Datum publicatie
19-07-2007
Zaaknummer
05/6204 t/m 6210 AW, 06/5741 t/m 5747 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een op het sociaal statuut gebaseerd besluit is een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6204 t/m 6210 AW

06/5741 t/m 5747 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Velsen (hierna: college),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 30 september 2005, 05/4025 en 05/4026 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

[Betrokkene 1],

[Betrokkene 2],

[Betrokkene 3],

[Betrokkene 4],

[Betrokkene 5],

[Betrokkene 6],

[Betrokkene 7], (hierna: betrokkenen)

en

het college

Datum uitspraak: 10 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Het college heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkenen hebben een verweerschrift ingediend.

Het college heeft een op 16 december 2005 gedateerd nieuw besluit ingezonden, waarop betrokkenen hebben gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2007. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.M.M. Terlingen, werkzaam bij de gemeente Velsen. Betrokkenen hebben zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.F.A. Dankbaar, advocaat te Haarlem.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkenen waren werkzaam bij het Centraal Orgaan Ouderenbeleid (COB) van de gemeente Velsen. Met het oog op de overdracht van taken en personeel van het COB aan de Stichting Ouderenzorg Velsen (hierna: SOV), heeft het college ter uitvoering van artikel 12 van het Sociaal Statuut Velsen 2005 in overleg met de Commissie van Georganiseerd Overleg (hierna: GO) het sociaal plan COB (hierna: sociaal plan) opgesteld. In dit sociaal plan is, voor zover van belang, bepaald dat de nadelen die ten aanzien van ouderdoms- nabestaanden- en prepensioen voortvloeien uit het feit dat de gemeente Velsen en de SOV bij verschillende pensioenfondsen zijn aangesloten, geheel zullen worden gecompenseerd door storting van een eenmalig bedrag via een stamrechtconstructie.

Betrokkenen zijn per 1 januari 2003 ontslagen als ambtenaar en in dienst getreden bij SOV.

1.2. Bij brief van 20 december 2004 heeft het college aan betrokkenen meegedeeld dat op 7 december 2004 nader is besloten om de garanties met betrekking tot het prepensioen niet door het PGGM te laten uitvoeren, maar in eigen beheer uit te voeren.

Namens betrokkenen is tegen deze afwijking van het sociaal plan geprotesteerd. Tevens is om onverkorte nakoming daarvan verzocht en om storting van de volgens opgave van het PGGM per medewerker verschuldigde bedragen ten behoeve van ieders stamrecht op rekening van het PGGM.

1.3. Bij brief van 19 januari 2005 heeft het college aan betrokkenen bericht dat er sprake is van een verschil van inzicht over de uitvoering van het sociaal plan als bedoeld in artikel K van dat plan, dat dit geschil wordt voorgelegd aan de commissie van GO en dat pas daarna een besluit kan worden genomen op het verzoek van betrokkenen. Namens betrokkenen is tegen dit schrijven geprotesteerd.

1.4. Na de vergadering van de commissie van GO op 10 februari 2005 heeft het college bij schrijven van 16 maart 2005, voorzien van een bezwarenclausule, aan betrokkenen meegedeeld dat het GO heeft ingestemd met de uitvoering van het sociaal plan overeenkomstig de beslissing van 7 december 2004 en dat de garanties met betrekking tot het prepensioen door de gemeente zelf zullen worden uitgevoerd.

Bij het thans in geding zijnde besluit van 7 juli 2005 heeft het college de bezwaren van betrokkenen tegen dit schrijven niet-ontvankelijk verklaard, om reden dat bezwaar is gemaakt tegen de toepassing van een bepaling in het sociaal plan die in overleg met de commissie van GO tot stand is gekomen en die daarom is te beschouwen als een algemeen verbindend voorschrift. Betrokkenen hebben beroep ingesteld tegen dat besluit en tevens om een voorlopige voorziening gevraagd.

2. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkenen tegen het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat het college met inachtneming van zijn uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar van betrokkenen dient te nemen. Het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen. De voorzieningenrechter was van oordeel dat de reactie van het college van 16 maart 2005 op het verzoek van betrokkenen van 13 januari 2005, dient te worden aangemerkt als een besluit omtrent de toepassing van het sociaal plan ten aanzien van betrokkenen als gewezen ambtenaren en daarmee als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad het navolgende.

3.1. De Raad onderschrijft niet het standpunt van het college dat de voorzieningenrechter te lichtvaardig tot toepassing van artikel 8:86 van de Awb heeft besloten. De rechtbank heeft niet ten onrechte gezegd dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak aangezien de voor een beoordeling ten gronde noodzakelijke gegevens in het dossier aanwezig waren.

3.2. De Raad onderschrijft evenmin het standpunt van het college dat de brief van 16 maart 2005 op grond van aard, inhoud en strekking niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb.

In het sociaal plan is de rechtspositie van betrokkenen nader bepaald met het oog op de privatisering van de dienst waarbij zij als ambtenaren werkzaam waren. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de weigering van het college van het verzoek om onverkort uitvoering en toepassing te geven aan een in het sociaal plan aan betrokkenen toegekende rechtspositionele aanspraak, van invloed is op de rechtspositie van betrokkenen als gewezen ambtenaar. Op die grond is ten aanzien van ieder der betrokkenen sprake van een besluit in de zin van de Awb waartegen zij rechtsmiddelen kunnen aanwenden.

3.3. Van bezwaar tegen een algemeen verbindend voorschrift is geen sprake. Betrokkenen vroegen juist om toepassing van het geldende sociaal plan in hun concrete geval. Dat dit sociaal plan inmiddels op rechtsgeldige wijze was gewijzigd is de Raad niet kunnen blijken. Een gewijzigd sociaal plan is niet overgelegd. Voorts blijkt uit de gedingstukken dat het college naar aanleiding van de bezwaren van betrokkenen op 10 februari 2005, overeenkomstig artikel K van het sociaal plan, een “verschil van inzicht over de uitvoering van het sociaal plan” in de commissie van GO aan de orde heeft gesteld. Van een aldaar aan de orde gesteld voorstel tot wijziging van het - niet voor tweeërlei uitleg vatbare - artikel B van het sociaal plan en van een ongeclausuleerde instemming van de commissie van GO met dat voorstel, is de Raad niet kunnen blijken.

3.4. Dat het primaire besluit van 16 maart 2005 naar aard en strekking onbepaald is, onbeperkt is naar tijd en toepassing en herhaalbaar is, kan de Raad evenmin inzien, nu het besluit slechts ziet op de weigering van het verzoek van de afgebakende groep van belanghebbenden om de voor de garantie naar de toestand per 1 januari 2003 benodigde stamrechtstortingen te doen.

4. Op grond van het voorgaande concludeert de Raad dat het hoger beroep van het college niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Bij de in rubriek I genoemde nieuwe beslissing op bezwaar van 16 december 2005 heeft het college meegedeeld dat het, gezien het ingestelde hoger beroep, geen aanleiding ziet om een andersluidende beslissing te nemen op het bezwaarschrift. De motivering voor dat besluit acht het college blijkens zijn brief van 11 augustus 2006 aan de Raad, gelegen in de gronden voor het beroepschrift tegen de aangevallen uitspraak.

5.1. De Raad is van oordeel dat deze handelwijze zich niet verdraagt met de door de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb aan het college gegeven opdracht om opnieuw te beslissen met inachtneming van zijn uitspraak.

Nu de motivering van het nieuwe besluit om de hiervoor aangegeven redenen geen stand houdt, is dit besluit bovendien genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Derhalve is het beroep dat betrokkenen geacht worden tegen dit besluit te hebben ingesteld, gegrond en dient het besluit te worden vernietigd.

De Raad vertrouwt erop dat het college thans met bekwame spoed ten aanzien van ieder van betrokkenen een inhoudelijk besluit neemt op de bezwaren tegen het besluit van

16 maart 2005.

6. De Raad acht termen aanwezig om het college met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van een bedrag van € 805,- voor kosten van rechtskundige bijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Vernietigt het besluit van 16 december 2005;

Bepaalt dat het college nieuwe besluiten ten aanzien van betrokkenen neemt met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen;

Veroordeelt het college in de proceskosten van betrokkenen in hoger beroep ten bedrage van € 805,-, te betalen door de gemeente Velsen;

Bepaalt dat van de gemeente Velsen een griffierecht van € 428,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en K. Zeilemaker en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) R.A. Huizer.