Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9910

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-07-2007
Datum publicatie
18-07-2007
Zaaknummer
06-4520 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Beoordeling door verzekeringsarts in opleiding, die niet is geregistreerd als verzekeringsarts bij de Sociaal-Geneeskundigen Registratie Commissie. Is dit in strijd met het Schattingsbesluit van 8 juli 2000? Zie ook ljn. BA9904, BA9905, BA9908 en BA9909.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4520 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2006, 05/2264 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 18 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door E. van Onzen en dr. H. Kroneman. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding appellant in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Betrokkene was werkzaam als meewerkend eigenaar van een stomerij toen hij op

14 juni 1997 uitviel ten gevolge van klachten na een auto-ongeluk. Appellant kende betrokkene met ingang van 13 juni 1998 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toe, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 16 maart 2000 trok appellant de WAZ-uitkering met ingang van 15 mei 2000 in, omdat vanaf dat moment de arbeidsongeschiktheid zou zijn afgenomen naar minder dan 25%. Het verzoek van betrokkene om terug te komen van het besluit van 16 maart 2000 wees appellant bij besluit van 30 juli 2003 af. Het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 30 juli 2003 verklaarde appellant ongegrond bij besluit van 22 december 2003. De rechtbank verklaarde op 6 augustus 2004 het beroep van betrokkene tegen het besluit van

22 december 2003 ongegrond.

Op 27 januari 2005 diende betrokkene opnieuw een aanvraag voor een WAZ-uitkering bij appellant in, vanwege sedert 1 oktober 2002 ingetreden arbeidsongeschiktheid. Appellant weigerde bij besluit van 15 maart 2005 betrokkene een WAZ-uitkering toe te kennen, omdat de arbeidsongeschiktheid van betrokkene uit een andere oorzaak voortkwam, dan die ten grondslag lag aan de eerdere WAZ-uitkering. Het bezwaar van betrokkene verklaarde appellant ongegrond bij besluit van 10 augustus 2005 (het bestreden besluit). Daarbij overwoog appellant dat het primaire besluit op een onjuiste motivering was gebaseerd en dat de reden dat betrokkene geen aanspraak kan maken op een WAZ-uitkering is gelegen in de omstandigheid dat de medische situatie van betrokkene niet is gewijzigd ten opzichte van de beoordeling die ten grondslag lag aan de intrekking van zijn WAZ-uitkering per 15 mei 2000.

De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigde het bestreden besluit. Kort samengevat is de rechtbank van oordeel dat op grond van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Stb. 2000, 307, hierna: het Schattingsbesluit) verzekeringsgeneeskundig onderzoek als bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van het Schattingsbesluit slechts mag worden uitgevoerd door geregistreerde verzekeringsartsen. Als het primaire onderzoek niet is verricht door een geregistreerde verzekeringsarts kan naar het oordeel van de rechtbank het aan het primaire onderzoek klevende gebrek in de bezwaarfase wel worden hersteld, indien de bezwaarverzekeringsarts alsnog zelf een verzekeringsgeneeskundig onderzoek overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 2, 3 en 4 van het Schattingsbesluit verricht. In dit geval heeft volgens de rechtbank de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte volstaan met bestudering van de dossiergegevens, het bijwonen van de hoorzitting en het opvragen van informatie bij een psychiater.

Appellant stelt zich primair op het standpunt dat in het Schattingsbesluit de huidige artikelen 2, 3 en 4 zijn opgenomen met als doel de Lisv-richtlijn “medisch arbeidsongeschiktheidscriterium” (MAOC-richtlijn) en de LISV-standaard “geen duurzaam benutbare mogelijkheden” (GDBM-standaard) een wettelijke status te geven. Met deze wijziging is volgens appellant niet beoogd de verzekeringsgeneeskundige beoordeling voortaan nog uitsluitend door een geregistreerd verzekeringsarts te laten plaatsvinden. Subsidiair stelt appellant zich op het standpunt dat een eventueel gebrek in de primaire fase is hersteld in de bezwaarfase, waar een verzekeringsgeneeskundig onderzoek door een wel geregistreerd verzekeringsarts heeft plaatsgevonden. Appellant betwist dat in de onderhavige situatie het doen van dossierstudie, het bijwonen van de hoorzitting en het opvragen van informatie bij de behandelend psychiater onvoldoende zou zijn om het gebrek in de primaire fase te helen.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of de term verzekeringsarts in de artikelen 2, 3 en 4 van het Schattingsbesluit moet worden opgevat als geregistreerd verzekeringsarts.

Appellant heeft zich beroepen op eerdere uitspraken van de Raad, waarin hij meent steun te vinden voor zijn standpunt, te weten uitspraken van de Raad waarin sprake is geweest van een onderzoek door een verzekeringsarts in opleiding (LJN AR8531, AT2411 en AT5760). In die zaken heeft de Raad geen consequenties verbonden aan het feit dat het primaire verzekeringsgeneeskundige onderzoek door een verzekeringsarts in opleiding (i.o.) is verricht.

De Raad ziet in deze uitspraken, waarin slechts is vermeld dat het betreffende onderzoek door een verzekeringsarts i.o. is verricht, geen steun voor appellants standpunt. In geen van die zaken is aangevoerd dat het primaire verzekeringsgeneeskundige onderzoek onzorgvuldig was omdat het door een verzekeringsarts i.o. is gedaan. De Raad heeft in die zaken geen aanleiding gevonden dit aspect ambtshalve te beoordelen.

De Raad kan zich overigens wel verenigen met het standpunt van appellant over de uitspraak van de Raad van 29 september 2005, LJN AU3603. In die uitspraak heeft de Raad zich slechts uitgesproken over de vraag of (een deel van) het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door een niet-arts zou kunnen worden verricht.

Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de Raad staat vast dat de verzekeringsgeneeskunde een specialisme is als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) en dat slechts een verzekeringsarts die conform de daarvoor geldende eisen is ingeschreven in het register van verzekeringsartsen op grond van artikel 4 van de Wet BIG de titel verzekeringsarts mag voeren. Om voor registratie als verzekeringsarts in aanmerking te komen moet zijn voldaan aan de eisen die het College voor Sociale Geneeskunde en de Sociaal-Geneeskundigen Registratie Commissie (SGRC) stellen. Uitzonderingen daargelaten, dient de arts als arts te zijn ingeschreven in het BIG-register, werkzaam te zijn in een door de SGRC erkende opleidingsinrichting, zoals bijvoorbeeld het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), en dient de arts een opleiding in verzekeringsgeneeskunde te volgen aan het door de SGRC erkende opleidingsinstituut Netherlands School of Public & Occupational Health. Het doen van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek is geen in de Wet BIG voorbehouden handeling. Een niet als verzekeringsarts geregistreerd arts handelt dan ook niet in strijd met de Wet BIG door het doen van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Die arts mag alleen geen gebruik maken van de titel verzekeringsarts.

De Raad heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de ter zitting door de gemachtigden van appellant gedane mededelingen dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op dit moment ongeveer 800 geregistreerde verzekeringsartsen in dienst heeft en ongeveer 200 verzekeringsartsen i.o. De Raad acht het aannemelijk dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gelet op de benodigde continuïteit en zijn positie als opleidingsinstituut, altijd artsen in opleiding heeft gehad en ook altijd zal houden, waarbij het percentage artsen dat in opleiding is ten opzichte van het percentage geregistreerde verzekeringsartsen kan fluctueren.

Gelet op de hiervoor omschreven omstandigheden is de Raad van oordeel dat een redelijke wetsuitleg meebrengt dat met het geven van een wettelijke basis aan de MAOC-richtlijn en de GDBM-standaard in het Schattingsbesluit, niet tevens is vastgelegd dat verzekeringsgeneeskundig onderzoek als bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van het Schattingsbesluit nog slechts uitgevoerd kan worden door een geregistreerde verzekeringsarts, terwijl de bepalingen van de Wet BIG evenmin tot een dergelijke uitleg aanleiding geven. De term verzekeringsarts in de artikelen 2, 3 en 4 van het Schattingsbesluit is dus niet uitsluitend op te vatten als geregistreerd verzekeringsarts.

Deze conclusie brengt naar het oordeel van de Raad echter niet mee dat aan een onderzoek door een niet als verzekeringsarts geregistreerde arts dezelfde waarde kan worden toegekend als aan een onderzoek door een geregistreerde verzekeringsarts. Registratie als verzekeringsarts staat in beginsel borg voor een zekere kwaliteit. Zolang die registratie nog niet heeft plaatsgevonden kan er in beginsel niet van worden uitgegaan dat het onderzoek van de (nog) niet als verzekeringsarts geregistreerde arts diezelfde kwaliteit bezit. Appellant heeft in dit verband naar voren gebracht dat de bekwaamheid van verzekeringsartsen i.o. op andere wijze voldoende is gewaarborgd. De verzekeringsarts i.o. is in ieder geval basisarts, hij volgt vrijwel direct na indiensttreding de interne GIB-opleiding van minimaal een half jaar, hij volgt zo spoedig mogelijk na afronding van de GIB-opleiding de externe opleiding tot verzekeringsarts, hij werkt gedurende de gehele opleiding onder begeleiding van een ervaren, geregistreerde verzekeringsarts, hij staat onder controle van de stafverzekeringsarts en op hem zijn alle kwaliteitsverhogende aspecten aan de orde die voor alle verzekeringsartsen gelden: alle Standaarden en Protocollen, het Professioneel Statuut Verzekeringsartsen, steekproefsgewijze dossiercontroles, onderlinge toetsing, vakinhoudelijke coaching, casuïstiekbesprekingen, bijscholing en inhoudelijke beoordelingsgesprekken. De Raad kan niet ontkennen dat al deze aspecten ertoe kunnen bijdragen dat de bekwaamheid van de verzekeringsarts i.o. toeneemt evenals de kwaliteit van diens onderzoeken. Dit neemt echter niet weg dat uit hetgeen ter zitting verder is besproken blijkt dat verzekeringsartsen i.o. vrij snel zo zelfstandig werken dat niet meer elk onderzoek met de mentor wordt besproken en dat de mentor ook niet (meer) elk rapport door ondertekening voor zijn rekening neemt. Appellant hanteert daarbij de stelregel dat naarmate de verzekeringsarts i.o. meer is ingewerkt, de rol van de mentor zal afnemen. In welk stadium dat gebeurt en waaruit de rol van de mentor dan nog wel bestaat is echter niet inzichtelijk gemaakt. De Raad is van oordeel dat gelet op deze onzekerheid de kwaliteit van het primaire verzekeringsgeneeskundige onderzoek door een verzekeringsarts i.o. onvoldoende is gewaarborgd.

Een dergelijk gebrek kan naar het oordeel van de Raad in de bezwaarfase worden hersteld.

In dit geval heeft het primaire verzekeringsgeneeskundige onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts i.o. De Raad acht dit gebrek hersteld door het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts. De bezwaarverzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd, betrokkene gezien en gehoord tijdens de hoorzitting en informatie ingewonnen bij de behandelend psychiater. Uit de informatie van de behandelend psychiater blijkt dat in de periode 1997-2005 geringe wijzigingen in de klachtenpresentatie zijn te merken. Verder heeft de bezwaarverzekeringsarts overtuigend gemotiveerd waarom in dit geval een urenbeperking niet aan de orde is. Betrokkene heeft geen medische gegevens in geding gebracht die een ander licht werpen op zijn medische situatie tussen 1 oktober 2002 en

10 augustus 2005.

De Raad concludeert dat het bestreden besluit op een juiste medische grondslag berust.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.J. Janssen.

MR