Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9858

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-07-2007
Datum publicatie
20-07-2007
Zaaknummer
07-2610 WVG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Toewijzing verzoek om voorlopige voorziening inzake een geschil over een vervoersvoorziening in de vorm van een gesloten buitenwagen in bruikleen in het kader van de WVG.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/2610 WVG

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[verzoekster]

in verband met het hoger beroep van:

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: het College),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 maart 2007, 05/2614 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoekster

en

het College

Datum uitspraak: 10 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Het College heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Namens verzoekster heeft mr. M.F. Vermaat, advocaat te Amsterdam, een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het College heeft nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2007. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Vermaat, voornoemd. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Wohlgemuth Kitslaar en

Mw. K. Koonings, beiden werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningen-rechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoekster heeft op 25 mei 2004 aan het College verzocht haar, in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: WVG) in aanmerking te brengen voor een gesloten buitenwagen in bruikleen met bijbehorende vervoerskostenvergoeding. Bij besluit van 9 september 2004 heeft het College afwijzend op dit verzoek beslist. Daaraan is ten grondslag gelegd dat door verzoekster niet aan alle gestelde criteria die gelden voor toekenning van een gesloten buitenwagen in het kader van de WVG wordt voldaan.

Bij besluit van 12 mei 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 9 september 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 mei 2005 gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het primaire besluit herroepen en het College opdracht gegeven om aan verzoekster binnen 6 weken na dagtekening van de uitspraak een gesloten buitenwagen in bruikleen ter beschikking te stellen, alsmede haar een financiële tegemoetkoming te betalen zoals in de overwegingen van die uitspraak is bepaald.

De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat artikel 19 van de Beroepswet voor het onderhavige geval meebrengt dat de werking van de aangevallen uitspraak tengevolge van het ingestelde hoger beroep van rechtswege is geschorst en dat het verzoek om voorlopige voorziening ertoe strekt die schorsende werking op te heffen voor zover het de bij die uitspraak gegeven opdracht betreft.

In het kader van de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening overweegt de voorzieningenrechter voorts dat het, gelet op de complexiteit en het principiële karakter van de in de hoofdzaak te beantwoorden rechtsvragen, niet geraden voorkomt thans een voorlopig oordeel te geven over de juistheid van het in de aangevallen uitspraak gegeven oordeel over de rechtmatigheid van het in beroep bestreden besluit van 12 mei 2005.

Met betrekking tot de vraag of verzoekster een voldoende spoedeisend belang heeft om het treffen van een voorlopige voorziening te kunnen rechtvaardigen wordt het volgende overwogen.

Verzoekster heeft aangegeven dat het belang bij het treffen van een voorlopige voorziening daarin is gelegen dat zij zolang het hoger beroep van het College bij de Raad in behandeling is een noodzakelijke en verantwoorde vervoersvoorziening in de zin van de WVG over de korte maar met name de zeer korte afstand moet ontberen.

De voorzieningenrechter acht in hetgeen namens verzoekster is aangevoerd voldoende grond aanwezig voor het oordeel dat sprake is van voldoende spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening. Daarbij is aanmerking genomen dat tussen partijen niet in geschil is dat verzoekster gezien haar beperkingen in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening voor de zeer korte afstand en dat er voor haar een medische noodzaak is om zich te beschermen tegen weersinvloeden. Nu verzoekster alleenstaand is en zij voor de voorziening in haar vervoer - naar zij onweersproken heeft gesteld - niet toereikend kan terugvallen op mantelzorg, is de urgente noodzaak van een voorziening gegeven. De voorzieningenrechter heeft bij zijn beoordeling tevens betrokken dat een financiële tegemoetkoming van € 460,-- per jaar in het geval van verzoekster naar voorlopig oordeel ontoereikend moet worden geacht voor het vervoer over de zeer korte afstand.

Aangaande de verzochte opheffing van de van rechtswege aan het hoger beroep verbonden schorsende werking wordt het volgende overwogen.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster een omvangrijke vervoersbehoefte heeft, waaronder het zelfstandig doen van boodschappen, het onderhouden van sociale contacten, het bezoeken van markten en het ondernemen van overige activiteiten en voorts dat zij niet in een sociaal isolement wenst te geraken.

De voorzieningenrechter stelt tevens vast dat van de zijde van het College ter zitting is aangegeven dat een gesloten buitenwagen voor iedere gewenste termijn kan worden geleasd.

De voorzieningenrechter is gegeven het vorenstaande, bij afweging van de betrokken belangen, van oordeel dat voldoende grond aanwezig is voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening en voorts om te bepalen dat het College binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak uitvoering dient te geven aan de aangevallen uitspraak. In dat verband wordt nog overwogen dat onder het ter beschikking stellen van een gesloten buitenwagen, tevens dient te worden verstaan, zoals in de gemeente Amsterdam gebruikelijk is, het voorzien, indien en voorzover nodig, in rij-instructie.

De voorzieningenrechter vindt in het vorenstaande aanleiding om het College op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van verzoekster in deze procedure tot een bedrag van € 644,-- aan kosten voor rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht toe;

Bepaalt dat de schorsende werking van het hoger beroep wordt opgeheven en verstaat dat het College binnen zes weken na dagtekening van deze voorlopige voorziening aan verzoekster, ter uitvoering van de uitspraak van 22 maart 2007,

reg.nr. 05/2614, een gesloten buitenwagen in bruikleen verstrekt;

Veroordeelt het College tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster ten bedrage van € 644,--, te betalen door de gemeente Amsterdam;

Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan verzoekster het griffierecht van € 37,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2007.

(get.) R.M. van Male.

(get.) C.H.T.W. van Rooijen.