Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9852

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-07-2007
Datum publicatie
20-07-2007
Zaaknummer
06-2681 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Verzwegen inkomsten uit arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2681 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 20 maart 2006, 05/943 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Drechterland (hierna: College)

Datum uitspraak: 17 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W. Searle, advocaat te Hoorn, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2007. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door W. van der Hoek, werkzaam bij de gemeente Drechterland.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant heeft van 11 juni 2001 tot 1 maart 2004 bijstand ontvangen naar de gehuwdennorm, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

Naar aanleiding van een melding van het UWV, dat uit een ingesteld strafrechtelijk onderzoek naar uitzendbureau [D.] was gebleken dat de naam van appellant voorkwam op een lijst van personen die waren ingeleend door [H. BV] (hierna: [H.]) in een periode dat appellant bijstand ontving, heeft de sociale recherche Noord-Holland Noord een onderzoek ingesteld. In het kader daarvan is dossieronderzoek verricht, is bij een aantal instanties informatie opgevraagd en zijn appellant en diverse getuigen gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van

28 oktober 2004.

Op basis van de onderzoeksresultaten heeft het College bij besluit van 16 november 2004 de bijstand over de periode van 11 juni 2001 tot en met 17 november 2001 herzien en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 4.414,76 van appellant teruggevorderd. De besluitvorming berust op de overweging dat appellant in deze periode bij [H.] heeft gewerkt, zonder daarvan aan het College melding te hebben gemaakt. Het College heeft voorts besloten om een toegekende uitstroompremie van € 500,-- met de vordering te verrekenen en de hoogte van het maandelijks af te lossen bedrag vast te stellen op € 152,--.

Bij besluit van 12 april 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 16 november 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 april 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover het de herziening en de terugvordering betreft. Hij ontkent ooit bij [H.] te hebben gewerkt.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Op grond van de onderzoeksbevindingen is de Raad, evenals het College en de rechtbank, van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat appellant in de in geding zijnde periode als inpakker bij [H.] werkzaam was. De Raad acht hiertoe met name van belang de urenstaten, de verklaringen van het hoofd personeelszaken, [B.], en de meewerkend voorman [M.], beiden werkzaam bij [H.], alsmede het feit dat blijkens het formulier ”melding dienstverband” is gebleken dat appellant, naar hij in bezwaar heeft erkend, in het jaar 2000 ook al inpakwerk via [D.] heeft verricht, hetgeen hij in eerste instantie heeft ontkend. Van deze werkzaamheden staat vast dat het loon daarvoor per kas werd uitbetaald hetgeen in overeenstemming is met wat appellant dienaangaande in bezwaar heeft verklaard. Daar komt nog bij dat appellant geen aangifte heeft gedaan van fraude die volgens hem met zijn persoonsgegevens zou zijn gepleegd.

Anders dan appellant is de Raad voorts van oordeel dat de werkzaamheden bij [H.] wel degelijk waren te combineren met de opleiding die appellant vanaf 30 augustus 2001 volgde, gelet op de urenstaten van [H.] en de presentielijsten van deze opleiding.

Naar aanleiding van het feit dat Mubarak op 12 januari 2005 van zijn op 18 augustus 2004 tegenover de sociale recherche afgelegde en door hem ondertekende verklaring is teruggekomen, omdat deze op een vergissing zou berusten, overweegt de Raad dat hij geen aanleiding ziet om aan te nemen dat de verklaring van 18 augustus 2004 onjuist zou zijn. Het betreft een uitvoerige en gedetailleerde verklaring die op de Raad niet als ongeloofwaardig overkomt. Daar komt bij dat de verklaring overeenkomt met de voorhanden zijnde gegevens.

Aan de verklaring van [M.] van [D.], noch aan de verklaringen van [H.] en [A.], beiden werkzaam bij [H.], kan bij het licht van het vorenstaande de waarde worden toegekend die appellant daaraan wenst toe te kennen.

Nu appellant, in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting, van zijn werkzaamheden bij [H.] geen mededeling heeft gedaan, was het College bevoegd om op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de aan appellant verleende bijstand te herzien en op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen.

De Raad begrijpt het door het College ten aanzien van herziening en intrekking gevoerde beleid aldus, dat - ook indien sprake is van schending van de inlichtingenverplichting - van het nemen van een herzienings- of intrekkingsbesluit wordt afgezien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Ten aanzien van de terugvordering voert het College het beleid dat daarvan wordt afgezien indien het terug te vorderen bedrag lager is dan € 150,-- of indien daartoe een dringende reden aanwezig is. Naar het oordeel van de Raad blijven deze beleidsregels binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling, althans voor zover het betreft de intrekking of herziening en terugvordering die - zoals in dit geval - het gevolg zijn van schending van de inlichtingenverplichting door betrokkene. De Raad stelt vast dat het College overeenkomstig deze beleidsregels heeft beslist. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht van de beleidsregels had moeten afwijken.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en J.N.A. Bootsma en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. van Ommen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) S. van Ommen.