Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9772

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-06-2007
Datum publicatie
20-07-2007
Zaaknummer
06-3889 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Terecht is geweigerd de kosten van de bezwaarprocedure te vergoeden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:15
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3889 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant)

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 28 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 19 juni 2006, kenmerk CR 12040/BJZ/2006 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2007. Appellant is daar verschenen bij gemachtigde

mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

De Raad verwijst allereerst naar zijn tussen partijen gewezen uitspraak van 27 oktober 2005, nr. 03/5954 WUV. Bij die uitspraak heeft de Raad vernietigd het toen in geding zijnde besluit op bezwaar van 29 oktober 2003, strekkende tot afwijzing van de door appellant op grond van artikel 21 van de Wet gevraagde verlenging van de hem eerder voor drie jaren verleende tegemoetkoming in de kosten van keyboardlessen. Hierbij heeft de Raad overwogen dat de aan die afwijzing ten grondslag gelegde motivering - kort gezegd inhoudend dat een separate tegemoetkoming in dit soort kosten niet meer mogelijk is vanwege de introductie van een algemene tegemoetkoming in kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer (DMV) - ondeugdelijk is.

Bij het thans bestreden, ter uitvoering van genoemde uitspraak genomen besluit, heeft verweerster de gevraagde tegemoetkoming wederom afgewezen, thans op de grond, samengevat, dat weliswaar voor die voorziening voor de jaren 2003 tot en met 2005 in beginsel een medisch-sociale wenselijkheid bestaat als bedoeld in artikel 21 van de Wet, maar dat niet met gespecificeerde bewijsstukken aannemelijk is gemaakt dat appellant in de betreffende jaren ook daadwerkelijk kosten daarvoor heeft gemaakt.

Verder heeft verweerster geweigerd aan appellant de proceskosten in bezwaar te vergoeden, onder overweging dat het primaire besluit niet is herroepen.

In beroep is namens appellant primair aangevoerd dat het ontbreken van bewijsstukken niet tot weigering mag leiden. Verder is alsnog overgelegd een schriftelijke verklaring van 29 maart 2007 over aan appellant gegeven muzieklessen. Ten slotte is gesteld dat ten onrechte is geweigerd om de in bezwaar gemaakte proceskosten te vergoeden.

De Raad overweegt als volgt.

Met het nu bestreden besluit heeft verweerster een nieuw besluit genomen met inachtneming van hetgeen in bovengenoemde uitspraak van de Raad is overwogen.

Beoordeeld moet derhalve worden of dit nieuwe besluit, gelet op hetgeen namens appellant in beroep is aangevoerd, wel op deugdelijke gronden berust.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Wet kan in de ten laste van de vervolgde blijvende kosten van voorzieningen verband houdend met aan de vervolging toe te schrijven ziekten of gebreken, welke voorzieningen strekken tot verbetering van diens levens-omstandigheden, een tegemoetkoming worden verleend.

Op basis van deze omschrijving stelt verweerster, in overeenstemming met de recht-spraak van de Raad daarover, terecht mede als eis dat sprake moet zijn van extra te maken kosten, welke kosten door de betrokken aanvrager aannemelijk gemaakt dienen te worden. Deze laatste eis was appellant ook bekend, nu ook bij de toekenning van deze voorziening in 2000 het overleggen van nota’s als voorwaarde was gesteld. De Raad is voorts van oordeel dat verweerster, gelet op de na de beoordelingsperiode 2003 tot en met 2005 gelegen datum van het bestreden besluit en uit de aanvraagstukken blijkende onduidelijkheid over hoe en wanneer de lessen hebben plaatsgevonden, terecht aan appellant heeft verzocht om nadere bewijsstukken daarover aan te dragen. Als bewijs is echter niet meer aangedragen dan een viertal bonnetjes over maanden in het jaar 2006 en de verklaring van 29 maart 2007 voormeld, inhoudende dat aan appellant vanaf begin 2005 muzieklessen zijn gegeven. In aanmerking genomen dat appellant zelf in een onderhoud op 8 mei 2006 met een geneeskundig adviseur van verweerster heeft verklaard dat de betreffende muziekleraar vanaf einde 2005 in beeld is, kan ook de Raad niet anders dan vaststellen dat van gemaakte kosten in de periode 2003 tot en met 2005 redelijkerwijs te verlangen bewijs ontbreekt.

Gezien het vorenstaande bestaat geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit, voorzover betreffende de afwijzing van de gevraagde voorziening.

Ten aanzien van de in het bestreden besluit tevens vervatte weigering van de vergoeding van proceskosten in bezwaar overweegt de Raad dat, mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), moet worden geoordeeld dat van “herroepen” in de zin van dit artikellid slechts sprake is indien het primaire besluit wordt gewijzigd wat betreft het daarbij beoogde of geweigerde rechtsgevolg. In het onderhavige geval heeft verweerster bij het primaire besluit geweigerd het door appellant gewenste rechtsgevolg, tegemoetkoming in de kosten van keyboardlessen over de jaren 2003 tot en met 2005, in het leven te roepen. Na bezwaar heeft verweerster de voor de weigering gegeven motivering vervangen door een andere maar het bestreden besluit strekt nog altijd - onverkort - tot weigering van de gevraagde tegemoetkoming. Derhalve kan niet worden gesproken van herroepen in de zin van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.

Hieruit volgt dat verweerster bij het bestreden besluit terecht heeft geweigerd de kosten van de bezwaarprocedure te vergoeden.

Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om verweerster met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2007.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) J.P. Schieveen.