Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9768

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-07-2007
Datum publicatie
19-07-2007
Zaaknummer
07-3223 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening. Financieel risico in de toekomst levert onvoldoende grond oplevert op om te oordelen dat er aan de kant van verzoeker sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorziening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/3223 WWB

Centrale Raad van Beroep

U I T S P R A A K

van

DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAAD VAN BEROEP

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 14 mei 2007, 06/228 (hierna:

aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

verzoeker

en

[betrokkene] (hierna: betrokkene)

Datum uitspraak: 17 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Voor betrokkene heeft zich gesteld mr. L. Bovenkamp, advocaat te Maastricht.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Bij besluit van 22 november 2005 heeft verzoeker de aan betrokkene verleende bijstand met ingang van 4 oktober 2005 gewijzigd en vastgesteld naar de norm voor gehuwden wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met

[G.].

Bij besluit van 3 april 2006 heeft verzoeker het tegen het besluit van 22 november 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank- met bepalingen over griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 3 april 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en verzoeker opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verzoeker in strijd gehandeld met artikel 3:2 van de Awb.

Verzoeker heeft verzocht om schorsing van de aangevallen uitspraak totdat op het hoger beroep is beslist.

Naar aanleiding van dit verzoek overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspaak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep bij de Raad is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Verzoeker heeft aangevoerd dat het hoger beroep illusoir zou worden bij een onverkorte uitvoering van de uitspraak van de rechtbank en voorts gewezen op het belang op een finale uitspraak ten behoeve van een eenduidige rechtsopvatting.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 2 december 2003, LJN AO0764) de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen, niet is bedoeld om door middel van zogenoemde "kortsluiting" de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak in de hoofdzaak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, en het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.

De voorzieningenrechter van de Raad heeft voorts meermalen overwogen dat een mogelijk financieel risico in de toekomst onvoldoende grond oplevert om te oordelen dat er aan de kant van verzoeker sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorziening. Ingevolge artikel 19 van de Beroepswet in samenhang met bijlage C bij de Beroepswet schort het hoger beroep, ingesteld tegen een uitspraak met betrekking tot een besluit op grond van de Wet werk en bijstand, de werking van die uitspraak niet op. Gelet op deze uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever, komt een dergelijk risico voor rekening van het bijstandsverlenend orgaan tenzij bijzondere omstandigheden nopen om hiervan af te wijken. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is de voorzieningenrechter in dit geval niet gebleken.

Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat behandeling van de bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat de betekenis van de rechtsoverwegingen op grond waarvan de rechtbank tot schending van artikel 3:2 van de Awb heeft geconcludeerd niet verder reikt dan het voorliggende geschil met betrokkene en dat niet is gebleken dat en waarom verzoeker geen uitvoering zou kunnen geven aan de aangevallen uitspraak.

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is, zodat de voorzieningenrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb, uitspraak kan doen zonder zitting.

Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht is geen aanleiding.

III BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende;

Wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2007.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.E. Broekman.