Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9710

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-07-2007
Datum publicatie
20-07-2007
Zaaknummer
05-5309 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5309 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 juli 2005, 04/1726 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2007, waar appellant, met voorafgaande kennisgeving, niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

II. OVERWEGINGEN

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Appellant, geboren [in] 1954, is locatiemedewerker (schoonmaker zwembad) geweest voor gemiddeld 18,01 uur per week. Op 4 april 2003 is hij uitgevallen wegens klachten aan rechterschouder en rug. Vervolgens heeft per einde wachttijd een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet op arbeidsongeschiktheids - verzekering (WAO). In dat verband heeft de verzekeringsarts J. Ten Kortenaar appellant op 9 januari 2004 onderzocht. Nadat zij nog informatie van de huisarts had verkregen, is zij in haar rapport van 12 januari 2004 tot de conclusie gekomen dat appellant beperkingen heeft als gevolg van schouderklachten rechts, bekkenklachten, status na depressie en bronchitis. Met inachtneming van uit deze klachten voortvloeiende beperkingen heeft deze arts de functionele mogelijkheden van appellant vastgelegd in een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige M.C.R.E. Meijer op 15 april 2004 rapport uitgebracht, waarin hij onder meer tot de conclusie is gekomen dat appellant niet meer geschikt is voor zijn eigen werk maar nog wel voor een aantal andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 15%. In overeenstemming met dit rapport is appellant bij besluit van 27 april 2004 meegedeeld dat hij na afloop van de wachttijd niet in aanmerking komt voor een WAO-uitkering.

In het op 4 mei 2004 ingestelde bezwaar heeft appellant naar voren gebracht dat hij als gevolg van zijn lichamelijke en psychische klachten meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen.

Nadat de bezwaarverzekeringsarts J.M. Fokke op 26 mei 2004 rapport had uitgebracht, waarin hij zich heeft kunnen verenigen met de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid, heeft het Uwv bij besluit van 28 mei 2004 het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

In beroep heeft appellant gesteld dat hij niet in staat is om 40 uur per week te werken. Voorts heeft hij gesteld dat zijn gezondheidssituatie sinds april 2003 verslechterd is en dat hij afspraken heeft gemaakt met specialisten. Ter ondersteuning van zijn standpunt dat hij meer beperkingen heeft dan door het Uwv zijn aangenomen heeft hij nog nadere medische informatie ingebracht.

Op 8 december 2004 heeft de bezwaararbeidsdeskundige R.B. van Vliet rapport uitgebracht, waarin hij tot de conclusie is gekomen dat een tweetal geselecteerde functies bij nader inzien niet geschikt is voor appellant omdat in die functies de voor hem vastgestelde belastbaarheid wordt overschreden. Aangezien één van deze functies aan de schatting ten grondslag lag, heeft hij een nieuwe schatting verricht, waarbij hij de mate van arbeidsongeschiktheid heeft berekend op 25-35%. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv appellant bij besluit van 13 december 2004 meegedeeld dat het bezwaar van appellant gegrond wordt verklaard en dat het primiare besluit en het bestreden besluit worden gewijzigd in die zin dat hij met ingang van 30 maart 2004 in aanmerking komt voor een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%.

Nadien heeft appellant nog nadere medische informatie ingebracht, waaronder een schrijven van de bedrijfsarts van de Arbodienst Oss.

Deze arts stelt dat het naar zijn mening raadzaam is appellant niet langer dan halve dagen te laten werken.

De rechtbank heeft met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het nadere besluit van 13 december 2004 in het onderhavige geding betrokken.

De rechtbank heeft vervolgens bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 28 mei 2004 niet-ontvankelijk verklaard. Met het nadere besluit van 13 december 2004 heeft de rechtbank zich kunnen verenigen, zodat de rechtbank het beroep tegen dat besluit ongegrond heeft verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld, voor zover daarbij zijn beroep ongegrond is verklaard. Daarbij heeft hij zijn eerdere naar voren gebrachte grieven herhaald, waarbij hij heeft benadrukt dat, voor zover hij kan werken, hij dit slechts voor halve dagen kan.

De Raad ziet geen reden om de bevindingen van de verzekeringsartsen met betrekking tot de klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor onjuist te houden. Bij de totstandkoming van hun rapporten hadden deze artsen de beschikking over informatie uit de behandelende sector en ook anderszins is de Raad niet tot de conclusie kunnen komen dat het onderzoek dat deze artsen hebben ingesteld naar de belastbaarheid van appellant onzorgvuldig is geweest. Op grond van de gedingstukken is de Raad niet tot de conclusie kunnen komen dat het Uwv de beperkingen van appellant op de thans in geding zijnde datum heeft onderschat. Ten aanzien van de door appellant ingebrachte medische informatie stelt de Raad vast dat deze deels, gezien de datering van deze informatie, niet ziet op de datum in geding. Voor zover dat wel het geval is de Raad op grond van deze informatie niet tot de overtuiging kunnen komen dat het Uwv meer beperkingen, waaronder een urenbeperking, voor appellant had moeten aannemen. Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat de medische component van het besluit van 13 december 2004 op goede gronden berust.

Voorts is de Raad van oordeel dat het Uwv in voldoende mate de geschiktheid van appellant voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies heeft gemotiveerd, waarbij de Raad met name verwijst naar het voormelde rapport

d.d. 8 december 2004 van de bezwaararbeidsdeskundige Van Vliet.

Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.C. Stam en R.P.T. Elshoff als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) S. Sweep.