Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9709

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2007
Datum publicatie
18-07-2007
Zaaknummer
06/1570 AW, 06/1571 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMID:2006:AV8688, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene is de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag opgelegd vanwege het verrichten van nevenwerkzaamheden en het deelnemen aan leveringen ten behoeve van de openbare dienst. Evenredigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/1570 AW

06/1571 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 31 januari 2006, 05/347 en 05/348 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het Dagelijks Bestuur van het waterschap Zeeuws-Vlaanderen (hierna: bestuur)

Datum uitspraak: 5 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. R.M.A. Lensen, advocaat te Terneuzen. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Minderhoud, advocaat te Middelburg, en

F.C.M. de Vries, werkzaam bij het waterschap Zeeuws-Vlaanderen (hierna: waterschap).

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreid overzicht van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.2. Appellant was bij het waterschap hoofd van de afdeling [naam a[naam sector]. Wegens hem verweten ernstig plichtsverzuim, bestaande in het overtreden van de artikelen 7.2.5 en 7.2.6 van de Sectorale Arbeidsvoorwaarden Waterschapspersoneel betreffende het verrichten van nevenwerkzaamheden en het deelnemen aan leveringen ten behoeve van de openbare dienst, is hem de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag opgelegd. Na bezwaar is dit ontslag gehandhaafd bij het bestreden besluit van 22 maart 2005.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft de kwalificatie van de aan appellant verweten en op zichzelf door hem niet betwiste feitelijke gedragingen als ernstig plichtsverzuim juist geacht en de straf daaraan niet onevenredig. Mede op basis van ter zitting afgelegde getuigenverklaringen heeft de rechtbank de stelling van appellant dat zijn handelen de instemming had van zijn leidinggevenden, in het bijzonder van het hoofd van de sector [naam sector], verworpen. Zij heeft voorts geoordeeld dat appellant, ondanks de niet vlekkeloze handelwijze van het bestuur bij de inzage door appellant in computerbestanden, niet in zijn verdediging is geschaad.

3. De Raad kan zich verenigen met hetgeen de rechtbank heeft beslist en - uitvoerig - heeft overwogen. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt hij nog het volgende.

3.1. De deels te volgen kritiek van appellant op de hem door het bestuur geboden mogelijkheid om inzage te krijgen in de, al dan niet elektronische, correspondentie tussen hem en zijn sectorhoofd over de door appellant verrichte nevenwerkzaamheden en leveringen aan het waterschap, leidt niet tot de gevolgtrekking dat het sectorhoofd zijn instemming heeft gegeven aan die activiteiten van appellant. En zelfs indien daarvan in zekere mate gesproken zou kunnen worden, leidt dat niet tot de conclusie dat niet gezegd kan worden dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Van een ambtenaar van het niveau en in de positie van appellant mag immers worden verwacht dat hij voor activiteiten als door hem verricht uitdrukkelijke instemming vraagt aan zijn bevoegd gezag en niet volstaat met min of meer informele bespreking van een en ander met slechts zijn naasthogere chef.

3.2. De omstandigheid dat aan meergenoemd sectorhoofd niet een disciplinaire straf is opgelegd, maakt de aan appellant opgelegde straf niet onhoudbaar. Aan dit sectorhoofd is door het bestuur geen enkel plichtsverzuim verweten en niet aannemelijk is dat door dit hoofd soortgelijke activiteiten zijn verricht als aan appellant verweten. Een (eventuele) wetenschap van het sectorhoofd van (sommige van) de aan appellant verweten gedragingen ontneemt aan die gedragingen niet de strafwaardigheid.

3.3. De straf is niet onevenredig aan de appellant verweten gedragingen. Niet alleen heeft appellant de schijn van belangenverstrengeling gewekt, door zijn handelwijze is een daadwerkelijke vermenging van persoonlijke belangen en waterschapsbelangen ontstaan. Appellant heeft de onder 1.2. vermelde voorschriften, die tot doel hebben dat de medewerkers van de openbare dienst van het waterschap integer zijn, in ernstige mate geschonden.

4. Op grond van het bovenstaande komt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet tot slot geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en R. Kooper en B.W.N. de Waard als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) R.A. Huizer.