Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9703

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2007
Datum publicatie
18-07-2007
Zaaknummer
06-1688 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag oorlogsgetroffene ingediend voor een voorziening in verhuis- en herinrichtingskosten.

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 20
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1688 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant)

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 5 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 31 januari 2006, kenmerk JZ/E70/2006, waarbij uitvoering is gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslacht-offers 1940-1945, hierna: de Wet.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2007. Aldaar is appellant niet verschenen. Verweerster heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, geboren [ in] 1942, is bij verweersters besluit van 29 oktober 1991 erkend als vervolgde in de zin van de Wet. Verweerster heeft appellant bij op bezwaar genomen besluit van 29 september 1992 een periodieke uitkering toegekend, omdat op grond van het medisch advies van haar geneeskundig adviseur is aanvaard dat appellants ziekten en gebreken die door of in verband met de vervolging zijn ontstaan of verergerd, te weten psychische klachten en maagklachten, in 1990 invaliderend tot uiting zijn gekomen in de zin van artikel 7, eerste lid onder a, van de Wet.

Verweerster heeft bij besluit van 23 december 1992 door analoge toepassing van artikel 12 van de Wet, deze periodieke uitkering omgezet in een maandelijks bedrag ter zake van niet-meetbare invaliditeitskosten, omdat dit voor appellant financieel tot het meest gunstige resultaat leidde.

In 1999 heeft appellant een herseninfarct (CVA) doorgemaakt. Dit CVA alsmede de daaruit voortvloeiende beperkingen zijn door verweerster in het kader van een door appellant gevraagde vervoersvoorziening als niet-causaal beoordeeld.

In mei 2005 heeft appellant bij verweerster een aanvraag ingediend voor een voorziening in verhuis- en herinrichtingskosten. Blijkens het de aanvraag begeleidende sociaal rapport is na zijn herseninfarct en zijn revalidatie de relatie van appellant met zijn echtgenote zodanig verslechterd dat zij in het voorjaar van 2005 de echtelijke woning te Schagen heeft verlaten. Vervolgens hebben ook zijn kinderen de woning verlaten zodat de huurkosten van deze grote eengezinswoning voor appellant alleen te hoog waren en hij vanwege zijn psychische klachten naar een goedkopere huurwoning moest uitwijken, welke hij heeft gevonden te Warmenhuizen alwaar hij zich per 1 juni 2005 heeft gevestigd.

Deze aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 1 september 2005, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit.

Verweerster heeft daarbij overwogen dat een voorziening voor verhuis- en herinrichtingskosten niet kan worden toegekend omdat deze voorziening op grond van appellants uit de vervolging voortvloeiende psychische klachten en maagklachten niet medisch noodzakelijk of medisch-sociaal wenselijk is.

Appellant kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat zijn uit de vervolging voortkomende psychische klachten de oorzaak zijn geweest van zijn echtscheiding. Voorts is appellant het niet eens met de visie van verweersters geneeskundig adviseur dat de relatieproblemen pas ontstonden toen hij door het CVA een karakterverandering onderging. Hiertoe verwijst hij naar medische infor-matie van zijn huisarts en naar een brief d.d. 8 oktober 2005 van zijn schoonzuster, [naam schoonzuster].

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 20 van de Wet is vergoeding van verhuis- en herinrichtingskosten mogelijk, indien - voor zover van belang - een verhuizing naar een andere woning is aangewezen op grond van causale ziekten of gebreken.

Uit de gedingstukken van medische aard ziet de Raad niet naar voren komen dat de met de vervolging samenhangende psychische klachten van appellant de verhuizing noodzakelijk hebben gemaakt. Van belang hierbij is het rapport van door de arts A.M. Ohlenschlager in augustus 2005 verricht medisch onderzoek waarin geconcludeerd wordt dat de verhuizing het gevolg was van karakterveranderingen door een CVA. Aan dit rapport ontleent de Raad dat mogelijk voordien al problemen speelden, doch dat de aard daarvan niet te herleiden was naar causale ziekten of gebreken en de balans pas duidelijk na het CVA verbroken werd. In het medisch advies van verweersters medisch adviseur I.L.P. Koperberg d.d. 18 januari 2006 is vermeld dat pas ná het CVA de onderlinge verhoudingen tussen de echtelieden in een sterk negatieve spiraal belandden, mede tengevolge van de persoonlijkheidsveranderingen bij appellant ten gevolge van het doorgemaakte CVA, zoals psychiater J.K. van der Veer heeft gesteld. Duidelijk is echter dat het optreden van het CVA een werkelijke crisis met zich brengt in de relatie en noopt tot psychiatrische bijstand. Niet ontkend wordt dat appellants causale psychische gesteldheid een zekere negatieve invloed op de huwelijksrelatie heeft gehad, maar geconcludeerd wordt dat dit op zich zeker niet de enige reden is geweest van de echtscheiding en gezien het beloop ook niet als doorslaggevende factor kan worden aangemerkt. In het licht van deze medische informatie acht de Raad hetgeen door appellants huisarts naar voren is gebracht op zichzelf onvoldoende om voor deze verhuizing een medische indicatie als bedoeld in artikel 20 van de Wet aanwezig te achten.

Een tegemoetkoming op grond van artikel 21 van de Wet voor verhuis- en herinrichtings-kosten pleegt verweerster toe te kennen, wanneer - voor zover van belang - sprake is van een combinatie van niet-causale somatische klachten die verhuizing noodzakelijk maken en belangrijke causale psychische klachten, waarbij niet verhuizen een duidelijk negatieve weerslag zal hebben op deze causale psychische klachten. Verweerster heeft deze situatie in het geval van appellant niet aanwezig geacht en de Raad kan gelet op de beschikbare informatie verweerster in deze opvatting volgen. Uit met name het rapport van onderzoek door de arts Ohlenschlager ziet de Raad naar voren komen dat appellant om praktische en financiële redenen is verhuisd.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellant ongegrond verklaard moet worden.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter en H.R. Geerling-Brouwer en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2007.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) J.P. Schieveen.