Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9700

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
17-07-2007
Zaaknummer
05-3939 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/3939 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 31 mei 2005, 04/1891 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.S. Fluit, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Fluit. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.M. Kuppens.

II. OVERWEGINGEN

Appellant heeft vanaf 1990 gewerkt als elektrotechnisch wikkelaar en is in juli 1999 betrokken geweest bij een auto-ongeval. Appellant heeft een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen. Bij besluit van 16 juli 2002 heeft het Uwv de uitkering van appellant met ingang van 9 september 2002 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Het tegen dit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 22 november 2002 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 12 januari 2004 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard het besluit van

22 november 2002 vernietigd en bepaald dat het Uwv binnen dertien weken na het verzenden van de uitspraak een nader besluit neemt met inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is overwogen. Voorts heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld in de door appellant gemaakte proceskosten en bepaald dat het Uwv het griffierecht aan hem vergoedt. Tegen de uitspraak van 12 januari 2004 is geen hoger beroep ingesteld. Bij het ter uitvoering van deze uitspraak genomen besluit van 7 juni 2004 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

Bij de uitspraak van 12 januari 2004 is het besluit van 22 november 2002 vernietigd op arbeidskundige gronden. De rechtbank heeft in die uitspraak overwogen geen aanleiding te zien om Uwv niet te volgen in diens standpunt dat bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 9 september 2002 in voldoende mate met zijn beperkingen rekening is gehouden.

Nu appellant tegen de uitspraak van 12 januari 2004 geen hoger beroep heeft ingesteld, moet naar het oordeel van de Raad bij de beoordeling van het bestreden besluit van de juistheid van die overweging worden uitgegaan. Terecht is in de aangevallen uitspraak overwogen dat de medische kant van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet in geding is. De grieven van appellant gericht tegen de medische grondslag van het bestreden besluit kunnen derhalve buiten beschouwing blijven.

In de uitspraak van 12 januari 2004 heeft de rechtbank overwogen dat bij twee van de aan appellant als geschikt voorgehouden theoretische functies sprake is van mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid. Met betrekking tot de functie van vertegenwoordiger (SBC-code 516160), in het bijzonder die van rayonmanager farmaceutische industrie, is overwogen dat niet valt uit te sluiten dat appellant in deze functie meer dan een half uur moet autorijden, terwijl op de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) is vermeld dat appellant zich niet langer dan een uur kan concentreren op een informatiebron. Twijfel heeft de rechtbank voorts of die functie geschikt is gelet op de daarin vereiste inventiviteit, terwijl appellant volgens de FML is aangewezen op een voorspelbare werksituatie en niet goed in staat is flexibel in te spelen op sterk wisselende uitvoeringsomstandigheden en taakinhoud. Deze beperking in appellants functionele mogelijkheden heeft de rechtbank voorts doen twijfelen aan de geschiktheid van de functie van elektromonteur (SBC-code 267010) aangezien in die functie problemen voorkomen voor de oplossing waarvan naast werkroutine ook enige inventiviteit is vereist.

In zijn rapportage van 2 februari 2004 heeft de bezwaararbeidskundige geconcludeerd dat de functies waarin volgens de uitspaak van 12 januari 2004 mogelijk de belastbaarheid van appellant wordt overschreden niettemin geschikt zijn voor appellant. De mate waarin auto moet worden gereden in de functie van vertegenwoordiger is geheel te bepalen aan de hand van de duur waarin onafgebroken wordt gezeten. Deze bedraagt - ook in de dagelijks voorkomende belasting - 30 minuten, zodat geen sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid op dit punt. De bezwaararbeidsdeskundige heeft voorts aangegeven dat in de functie van vertegenwoordiger sprake is van een vaste setting waarbij de vertegenwoordiger in contact met de wederverkoper informatie geeft over farmaceutische artikelen, kortingen, en dergelijke. De werktijd wordt voor 95% gevuld met werk aan de hand van bedrijfsinstructies, normen en klantenbezoekroosters. Ook de activiteiten in de overige 5% van de werktijd die worden ontplooid ten aanzien van nieuwe klanten zijn voorspelbaar van aard. In de functie is enige inventiviteit vereist hetgeen betekent dat de vereiste inventiviteit niet veelomvattend is of heel vaak voorkomt. De bezwaararbeidsdeskundige meent voorts dat ook in de functie van elektromonteur de belastbaarheid niet wordt overschreden wat betreft de vereiste inventiviteit. In die functie wordt gewerkt onder de directe leiding van een voorman, aan de hand van schriftelijke en mondelinge opdrachten, tekeningen en instructies. De zelfstandigheid is gering en de invulling wordt voor een beperkt deel aan de functionaris overgelaten. Hoewel de functie enige inventiviteit vergt, zijn de problemen van praktische aard. De bezwaararbeidskundige overweegt voorts dat appellant wat betreft zijn vooropleiding en arbeidsverleden overgekwalificeerd is. In de rapportage van

10 augustus 2004 van de bezwaararbeidsdeskundige is vermeld dat appellant over een technisch MBO-diploma beschikt.

In de aangevallen uitspraak is geconcludeerd dat appellant in staat moet worden geacht de functies van vertegenwoordiger en elektromonteur te verrichten. De rechtbank heeft zich daarbij in hoofdzaak gebaseerd op nadere onderbouwing in de rapportages van 2 februari 2004 en 10 augustus 2004. Een aanvulling op de onderbouwing van de geschiktheid van deze functies hebben de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidskundige gegeven in hun rapportages van 30 augustus 2006 en 20 september 2006.

Wat betreft de geschiktheid van de functies van vertegenwoordiger en elektromonteur verenigt de Raad zich met de overwegingen van de aangevallen uitspraak, waarnaar hierbij kortheidshalve wordt verwezen. Naar het oordeel van de Raad is met de rapportage van 2 februari 2004 en die van 10 augustus 2004 alsnog een voldoende inzichtelijke en toetsbare motivering gegeven van de geschiktheid van de functies voor appellant. Appellants grieven die inhouden dat niet zou zijn voldaan aan ’s Raads jurisprudentie met betrekking tot het CBBS, daaronder begrepen de uitspraken van

9 november 2004 (onder meer LJN AR4717), van 12 oktober 2006 (onder meer LJN AY9971) en van 23 februari 2007 (onder meer LJN AZ9153), falen derhalve.

Naar het oordeel van de Raad voldoet appellant aan de voor de uitoefening van de voorgehouden functies vereiste opleidingseisen. Aan de gedocumenteerde stelling van appellant dat zou zijn gebleken dat appellant niet meer over het benodigde intelligentieniveau beschikt, gaat de Raad voorbij - daargelaten of die documentatie betrekking heeft op de hier in geding zijnde datum - nu dit in het kader van deze opleidingseisen niet ter beoordeling staat en, zoals hiervoor reeds is overwogen, de medische grondslag als rechtens juist heeft te gelden.

Voor aanvaarding van de stellingen van appellant die erop neerkomen dat bij beoordeling van de geschiktheid van de functie van vertegenwoordiger geen rekening is gehouden met diverse eventualiteiten die zich bij het autorijden kunnen voordoen, ziet de Raad geen grond, gelet op de herhaaldelijke uiteenzetting van de functie-inhoud en functiebelasting op dit punt door de bezwaararbeidsdeskundige in diens rapportages. Ook verwerpt de Raad appellants stellingen dat in de functies van vertegenwoordiger en elektromonteur geen sprake zou zijn van een voorspelbare werksituatie en meer dan enige inventiviteit zou zijn vereist, nu door de bezwaararbeidsdeskundige uitdrukkelijk en gemotiveerd het tegendeel staande is gehouden en de Raad deze motivering niet onaannemelijk voorkomt. Hetgeen appellant heeft gesteld met betrekking tot het overschrijden van appellants functionele mogelijkheden op de aspecten concentratie en veelvuldig klantcontact, acht de Raad gelet op deze motivering voldoende weerlegd.

Voor zover appellant heeft bedoeld te stellen dat de aan het CBBS ontleende functiegegevens onjuist zouden zijn, overweegt de Raad dat het Uwv bij raadpleging van het CBBS in beginsel van de juistheid van de daarin opgenomen gegevens mag uitgaan. Appellant heeft niet aangetoond dat de gebruikte functiegegevens onjuist zijn.

Appellant heeft voorts gesteld dat sprake zou zijn van een overschrijding van zijn functionele mogelijkheden op de aspecten herinneren, zien, spreken hoofdbewegingen maken en hand- en vingergebruik. De Raad overweegt dat de (bezwaar-)verzekeringsarts ten aanzien van deze aspecten geen beperking heeft gesteld op de FML en dat ook overigens in het licht van zijn jurisprudentie niet is gebleken dat in dit concrete geval de geschiktheid van de functies op deze punten onvoldoende inzichtelijk, verifieerbaar of toetsbaar zou zijn geweest.

Appellants grief dat het Uwv ten onrechte aan het CWI zou hebben geadviseerd dat appellant niet geschikt was voor zijn eigen werk en dat reïntegratie in dat werk niet mogelijk was, leidt - ook als die grief feitelijk juist zou zijn - niet tot een ander oordeel over de appellants mate van arbeidsongeschiktheid per 9 september 2002.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. van Netten als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A. van Netten.

JL